Ethiopië Deel 2, Korem, Aksum, Simien m., Gonder

Door: Guus Geurts

Blijf op de hoogte en volg Guus

17 November 2012 | Ethiopië, Addis Abeba

De bijbehorende foto's bij dit reisverslag zijn te vinden op www.facebook.com/guus.geurts

Korem, een onverwachts genoegen
Hierbij het tweede deel van het verslag van Noord-Ethiopië tot en met 14 november, de dag daarna vertrok ik weer vanuit Addis Abeba naar het Oosten; naar Harar en uiteindelijk naar Somaliland. Dit verslag begint op 23 oktober bij de reis van Lalibela via Gashema. Hier nam ik afscheid nam van Doron uit Zuid-Afrika, hij zit nu in Tsjaad. Hij werd wel lang opgehouden aan de grens met Soedan, en hoorde machinegeweerschoten toen hij een dag aan de grenspost in Tsjaad op een beambte moest wachten. Hij had ook al weken geen andere toeristen meer gezien.
Vervolgens reisde ik naar Woldia waar ik overstapte in een minibus naar Maychew, en via een andere andere minibus in Korem aankwam. Een plaats waar ik niet eerder van gehoord had, maar ‘toevallig’ een positief verhaal over las in de Lonely Planet. Deze kleine plattelandsgemeente van 30.000 inwoners ligt dichtbij het Ashenge-meer met veel vogels, en er zouden mooie wandelingen gemaakt kunnen worden in de omgeving. Het is tevens de plaats waar de beelden vandaan kwamen van de grote hongersnood in 1984, die o.a. leidde tot de actie Live Aid. Door wat research vond ik uit dat die hongersnood vooral een politieke oorzaak had. Het communistische Derg-regime hield namelijk stelselmatig de voedseltransporten naar dit gebied tegen omdat hier de tegenstanders van het regime woonden. Waarschijnlijk heeft veel van het bij elkaar verdiende geld van de - door de artiesten belangenloos en met veel passie en inzet gezongen - liedjes als We are the world and Do they know is Christmas?, deze gebieden dus nooit bereikt. Hetzelfde geldt voor de opbrengst van de Live Aid-concerten, waar we vooral in het Westen van genoten hebben.
Nu is er niets meer te zien van gebrek aan voedsel, Korem ligt midden in een landbouwgebied met deels veeteelt en deels akkerbouw. Ik had gehoopt even snel naar dat Ashenge-meer te lopen, maar dat lag toch verder weg dan ik dacht. Tijdens de zoektocht naar het meer wezen de lokale mensen me in allerlei richtingen, maar pas de volgende morgen na al weer een uur of twee wandelen, in de goede richting. Maar juist die wandelingen had ik nooit willen missen. Ik kon eindelijk foto’s maken van de prachtige ossen met hun grote horens. Deze worden vooral ingezet bij het ploegen van het land, maar worden tussentijds gehoed met de schapen en geiten door jongens van een jaar of zes tot tien. Ondertussen verzamelen de meiden en vrouwen de koeienstront op het land, die daarna wordt gedroogd en verkocht als brandstof. Na een half uur – de rattenverzamelaar van Hamelen spelen – had ik de eerste groep kinderen van tien afgeschud aan de ene kant van het dorp. Over het algemeen is de omgang met hen wel erg leuk, behalve een enkele keer als ze te lang blijven doorzeuren om geld of pennen.
Dan eens kijken of het meer aan de andere kant van het dorp ligt. Ook daar zag ik het niet maar kwam de sorghum-plant tegen, waar ik hoognodig een foto van moest maken. Een boer wees me de weg naar het meer, maar omdat het tegen 18.00 uur liep, zou het zo donker worden en had ik een mooi startpunt voor de dag erop. Waarschijnlijk was ik de enige faranji (westerling) in het dorp, en is het dorp niet echt ingesteld op massa-toerisme, maar ik vond er wel een redelijk en goedkoop hotel en later een restaurant waar alleen injera op het menu stond. Dit is de typische Ethiopische koude ‘dienbladgrote pannenkoek’ die wordt gegeten met vlees, ei en/of groenten (incl. aardappel). De bedoeling is dit zonder gebruik van mes of vork te doen, maar gewoon door steeds stukjes injera af te scheuren en daarmee de rest op te pikken. Van te voren en daarna kun je je handen wassen.
Ik wou de volgende dag voor 12 uur terug zijn in het hotel om uit te checken en verder te reizen, dus moest vroeg op. Snel een broodje ei met thee als ontbijt en verder waar ik gebleven was. De vrouwen waren ondertussen met grote gele plastic tonnen water aan het halen bij een aantal kranen midden in het dorp. Deze plastic tonnen hebben ondertussen de grote zwarte aardenwerken kruiken verdrongen, waarschijnlijk omdat ze lichter zijn.

Alleen of samen op reis
Buiten het dorp weer de nodige vogels gefotografeerd, maar vooral de mensen die bezig waren op het land. Deels met de oogst, deels met het vervoeren van grote pakken stro en veevoer op hun hoofd, deels met het hoeden van vee, of gewoon aan het kletsen langs de kant van de weg. Door het heuvelachtige landschap (ook langs een mooie meanderende rivier) kon ik een aantal foto’s maken waarop al deze bezigheden tegelijkertijd te zien zijn. Het was zo’n ‘Mui-Ne-dag’; op zoek zijn naar iets, maar bij iets veel mooiers uitkomen. Destijds in 2003 in Vietnam, ging ik in plaats van naar de rode zandduinen (de toeristische attractive) spontaan het drukke ochtendverkeer achterna, en kwam uit op het strand waar onder de net opkomende zon de vis werd binnengebracht door de mannen en verkocht door de vrouwen. Nu was het een ‘gewone’ dag op het platteland. Na een uur of twee was duidelijk geworden dat ik voor het meer, terug naar het dorp moest een tijdje de grote weg volgen en dan zou ik het tegenkomen, na een uur of anderhalf. Maar in het dorp wachtte als toetje nog de plaatstelijke markt waar o.a. houtskool en allerlei plastic benodigdheden werden verkocht, en ik met mijn zoomlens weer aardig vooruit kon. Het is misschien wat sneaky, maar levert wel de mooiste ongedwongen plaatjes op. Een man die toch in de buurt van het meer moest zijn, liep verder met me mee. Een bekende had hem op mij gewezen. Dat was natuurlijk heel hulpvaardig, zeker omdat hij een kortere weg wist dan over de harde weg te blijven lopen. Maar het heeft ook een nadeel, ik ben een deel van de vrijheid kwijt om intuïtief of wanneer ik maar zin heb ergens langer bij stil te staan en foto’s van te maken. En daarbij had ik er niet echt voor gekozen om hem als gids mee te nemen. Het wordt extra ongemakkelijk als dit niet uit hulpvaardigheid gebeurt, maar om geld te verdienen, wat aan de andere kant natuurlijk heel begrijpelijk is. Het leek er echter op dat hij deze keer echt hulpvaardig wilde zijn. En ik kreeg toch alle ruimte om foto’s te maken als ik wilde, hoewel het anders blijft voelen als er iemand op je wacht. Toen hij bij zijn huis was aangekomen zei ik dat ik het nu wel alleen kon vinden, het meer was nu immers vlakbij, maar hij wou persé mee blijven lopen. We liepen nog een tijdje door, en het zou nog zeker 20 minuten duren voor we het meer zouden bereiken. Het liep echter tegen half elf, dus werd ook tijd om te keren om twaalf uur te halen. In mijn eentje had ik het nog wel opgewaagd, maar nu zei ik dat ik echt terug moest. En zo eindigde wat zo mooi begon op de dag toch nog in een hoop frustratie die vooral bij mezelf lag, hem was niets kwalijk te nemen. Het is ook een botsing tussen de gemeenschapszin en samen dingen doen van de gemiddelde Afrikaan, en een – misschien wel atypische – westerling die vaak graag dingen alleen doet en onafhankelijk wil zijn. Als je je intuitie wil kunnen volgen, is het voor mij bijna een voorwaarde, alleen te lopen. Vriendinnen die met me op reis gingen zullen zich daarom ook wel eens (vaak) aan me hebben geërgerd. Genoeg gepsycholiseer.

Nog een uitwijding: de vrijheid van de Afrikaanse nomaden
Maar: ik las zojuist nog in het prachtige boek ‘Bittereinders’ vam Koert Lindijer (2003) over de verdwijnende nomadenvolkeren in Afrika, o.a. de Afar in Ethiopië, de Samburu, Masaï en Wuaso Borans in Kenia en de Tamasheq (beter bekend als Toeareg) in Mali en Niger. Bij die nomaden zie je hun geluk volledig samenhangen met de mogelijkheid in vrijheid met hun vee te kunnen rondtrekken, waarbij de natuur, het seizoen en/of het vee zelf aangeven of het tijd word tom verder te trekken. Door allerlei ontwikkelingen zoals droogtes en oorlogen, maar ook omdat westerse ontwikkelingswerkers dat beter vonden, hebben velen dit bestaan op moeten geven, om zich te vestigen als boer of als bedelaar in kleine steden. Men is afhankelijk van anderen geworden, en vooral de ouderen kwijnen hier weg en willen niets liever dan doen dan rond te reizen met hun vee. Jongeren vinden soms wel goede banen in steden, maar ontwikkelen ook nieuwe behoeften. Een nomade die met hulp van een ontwikkelingsorganisatie vee kreeg, en weer is gaan trekken: ‘Door de rampen zijn we mensen geworden die medicijnen, auto’s, hulporganisaties, radio’s, huizen, scholen en frisdranken nodig hebben. Dat heeft ons geluk verminderd. Het moderne leven schept te veel behoeftes.’ Lindijer vraagt zich af: ‘Heeft mijn reislust iets met nomaden te doen?’ Ik herken hier veel in en ook in mijn respect voor hun manier van denken en hun wil onafhankelijk en zelfvoorzienend te zijn. Hopelijk kom in hier in Oosten van Ethiopië ook in aanraking met de Afar en Somali, en later hoop ik de Samburu, Turkana en Masaï nog te bezoeken.
Mekele, eten, internetten, slapen en wegwezen
Op de weg terug naar Korem (alleen) kwam ik nog terecht bij een gezin in een dorp en in een kudde vee met een jongen en meisje als veehoeders. Ik was voor 12 uur in het hotel, snel inpakken en wegwezen en via weer twee minibussen naar Mekele, de hoofdstad van Tigray. De wegen waren allemaal mooi geasfalteerd, wat wel anders was aan de andere kant van the historical circuit (Addis als startpunt in het Zuiden, Aksum als meest noordelijke punt en verder o.a. Lalibela en Gonder). Het werd al bijna donker, en de volgende dag zou ik meteen doorreizen, dus veel van Mekele heb ik niet kunnen zien. Het is een mooie studentenstad, met veel loopgebieden waar geen auto’s mogen komen. Het gebruik van internet is er door de vele concurrentie snel en spotgoedkoop, dus kon eindelijk weer het thuisfront mailen na ruim een week. Daarnaast aldaar ook één van de beste maaltijden ooit op reis gegeten, in een restaurant die niet in de Lonely Planet staat en die er van buiten duur uit zag. De prijzen waren echter zeer redelijk voor de massale en zeer gevarieerde groentesalade (met brood) – wat alleen al voldoende voor een maaltijd bleek – maar had er ook een bord spaghetti bijgenomen. Het brood ging in de tas voor het ontbijt met banaan in de bus de volgende morgen. Maar vanwege de volle maag moest ik wel de popcorn weigeren die men gratis ronddeelde. Het kopje koffie dat ik gratis nakreeg, ging er nog wel net bij. Ook nooit eerder meegemaakt dat laatste. Tja en toen wou ik nog wat reclame voor hen maken, en vroeg dus hoe het restaurant heette, Joyfull zei de eigenaar. Helaas staat dat niet in het Engels op het uithangbord. Maar mocht je in de buurt zijn: het is op de kaart van de Lonely Planet (2009) tegenover het Boston Café en Restaurant (die niet meer bestaat), je kan buiten zitten en het terras heeft een glazen afscheiding van de weg.
Wou daarna op tijd naar bed, maar werd wakker gehouden door het keiharde geluid van de tv op de binnenplaats (met bar). Er was Champions League-voetbal die avond, afgewisseld met de loting voor de Africa Cup in januari, met Ethiopië dus weer als deelnemer sinds 31 jaar. Ik kon niet slapen dus net zo goed gaan kijken, en sprak nog een aardige Ethiopiër over hun en ons voetbalelftal. Borussia Dortmund won ondertussen verdiend van Real Madrid.

Aksum, resten van een Afrikaans wereldrijk
De volgende dag om 5.15 uur op, dit is zo’n beetje de standaardtijd voor reisdagen om zo met de vaak enige bus van 6.00 uur weg te kunnen. Als je geen zitplaats kan reserveren is het raadzaam er uiterlijk om 5.30 te zijn. Nu was ik één van de eersten en kon de plek uitkiezen. De reis ging door een veel droger gebied dan eerder, en voerde erg dicht langs de grens met Eritrea. Tussen 1998 en 2000 is er hevig oorlog gevoerd tussen beide landen in dit gebied. Ik zag vele kapotte huizen, waarschijnlijk als gevolg daarvan. Er vielen toen 70.000 doden. De relatie tussen beiden landen is nog steeds slecht, de grens is potdicht en ook onderling luchtverkeer is er niet.
Tegen de middag kwam ik in Aksum aan, dit was misschien al tijdens de 10e eeuw voor Christus, maar zeker vanaf de 4e eeuw voor Christus de hoofdstad van een groot rijk. Gedurende 1000 jaar domineerde dit rijk de zeehandel tussen Afrika, het Midden-Oosten en Azië. De resten zijn o.a. een aantal grote granieten kolommen, waarvan er een paar grote zijn blijven staan, weer neergezet (na gestolen te zijn door Mussolini) of worden ondersteund. De grootste van 33 meter is echter omgevallen. Ook buiten de stad staan er nog enkele kleinere kolommen en zijn de resten van het paleis van de legendarische koninging Sheba te vinden. Verder zijn er een aantal tombes van koningen opgegraven, en ondergrondse gangenstelsels ontdekt. Naar schatting 98% van wat er resteert aan monumenten moet echter nog opgegraven worden.
Minstens zo belangrijk (en mysterieus) is de kapel waarin volgens de legende de Arch of the Convenant bewaard zou worden. Dit is de stenen kist die door Moses op de Sinaï-berg werd gemaakt en waarin de twee stenen tabletten met de 10 geboden werden opgeslagen. Zie ook een Indiana Jones-film hierover.
Slechts één wachter mag in het gebouw, westerse bezoekers worden er verre van gehouden, sinds een paar over een hek klimden en de kapel binnendrongen. Bij de kapel liggen een nieuwe en wat oudere kerk van Zion, maar de hoge entreeprijs van 11 euro deed me besluiten maar eens wat kerken over te slaan. Via een andere kerk kon ik wel even het terrein met de kerken op, en van buiten zijn ze in ieder geval mooi. Tenslotte mag het heel interessante Aksum-museum niet onvermeld blijven, met resten en handelswaar uit een tijd dat Nederlanders in berenvellen rondliepen. Er draaide ook een video met de mooiste bezienswaardigheden uit Tigray. Zoals een aantal in rosten uitgehouwen kerken in de buurt van Aksum, die met dure tours te bezoeken zijn.
Ik had me te laat gerealiseerd dat ik om een trektocht in de Simien Mountains te kunnen maken, best wat geld nodig had. Helaas was er geen ATM in Aksum die mijn Rabopas accepteerde (in Ethiopië doet alleen Dashen Bank dat) en traveler cheques zijn er ook heel moeilijk te wisselen. Laatste redmiddel was een Visa-creditcard die ik nog net op tijd voor vertrek in huis had, maar die ik zo weinig mogelijk gebruik om hoge wisselkosten te vermijden.
Alles nog eens nalezend in mijn dagboek, waren ook de oude volkswijken en de zaterdagmarkt zeker de moeite waard. Mensen komen dan van heinde en ver met hun spullen, en traditioneel leverde dat mooie fotomogelijkheden op. Zoals van een groep vrouwen die hun sikkels laten slijpen door een oudere man. Het leverde ook een nieuwe hoed op, want mijn oude was verloren gegaan in de bus naar Mekele. Voor mij een onmisbare bescherming tegen de zon, zeker tijdens de komende trektocht. Maar opvallend is dat vooral Afrikaanse mannen bijna allemaal zonder hoofddeksel rondlopen, zeker in de stad. Op het platteland slaan ze wat vaker een doek over hun kop, zowel tegen de zon als tegen de kou ‘s morgensvroeg.

Next stop Debark
Na een dag of twee drie had ik Aksum e.o. wel gezien, volgende stop zou Debark worden om van daaruit voor de afwisseling eens de natuur in te gaan en enkele stevige wandelingen door de bergen te maken. Als ik de bus van 6 uur uit Aksum naar Shire zou pakken, hoopte ik nog voldoende tijd te hebben voor een aansluitende bus naar Debark, of er eventueel met enkele minibussen te komen. Een beetje te optimistisch bleek later. Al in Shire was het moeilijk om een aansluitende bus te vinden naar Hayda Maysumari. Twee bussen stroomden al snel vol. Pas nadat ik beloofde een euro extra bij te betalen mocht ik naar binnen, maar dan moest ik wel tijdens de eventuele politiecontrole vertellen dat ik het lagere ticketbedrag had betaald. Hier was nog mee te leven en ik was weer onderweg. In Hayda Maysumari hoopte ik op een volgende minibus, maar die zouden hier vanwege het slechte wegdek niet meer vertrekken. Wel zo’n vijf kilometer verderop. Een behulpzame werknemer van het busstation wees me naar een soort brommertaxi met acht zitplaatsen, en zei dat ik niet meer dan 5 birr hoefde te betalen. Dat werden er uiteindelijk 7, maar nog steeds peanuts. Een medereiziger wou ook nog wat geld voor zijn ‘ hulp’ , die bestond uit wat bijkletsen en het geld ophalen voor de chauffeur. Ok, bij de volgende halte leek het sneller te gaan. Er stond al een minibus klaar en mijn rugzak ging meteen het dak op. Ik zag een andere reiziger 20 birr betalen, dus 10 extra voor de rugzak leek me meer dan genoeg. Hij vroeg echter 100, wat ik weigerde waarna de rugzak van het dak ging. Daarna kon ik gaan ‘afkoelen’ onder het toeziend oog van zo’n 25 toegestroomde dorpelingen. Het zijn van die mindere momenten, waarbij een medereiziger wel weer heel handig geweest zou zijn. Een aantal dorpelingen discussieerden een tijdje met de (waarschijnlijke) buseigenaar. Dit is niet de chauffeur, want die zijn slechts in dienst bleek later. Maar ik wist ook niet aan welke kant ze stonden. Gelukkig waren er twee plaatselijke leraren die goed Engels konden, en het voor me opnamen. Ik begon ook al voorzichtig te informeren naar slaapplekken in dit wel heel kleine dorp. Debark halen werd al steeds lastiger zo. Omdat de bus maar bleef staan, waarschijnlijk door gebrek aan reizigers, maakte ik ondertussen van de nood maar een deugd en haalde mijn boek Wereldvoedsel te voorschijn. Het boek is in het Nederlands, maar de 100 aanwezige foto’s kijken bleek ook heel interessant. Een kring van zo’n 15 kinderen probeerde met de leraren een glimp op te vangen, en ondertussen gaf ik wat uitleg. Het Europese- en WTO-beleid uitleggen gaat natuurlijk een stuk te ver, maar ik probeerde wel de nadelen van het industriële landbouwmodel uit te leggen. Wat dat betreft doet men het in Ethiopië helemaal niet zo slecht, al is er nog steeds ondervoeding en zijn de landrechten nog niet goed genoeg gegarandeerd. Daarbij worden er momenteel grote stukken land verkocht aan buitenlandse en binnenlandse investeerders, waarbij de natuur vernietigd wordt en de bevolking gedwongen wordt verplaatst.

Na een uur of twee leek de minibus dan toch te vertrekken, en kon ik of mijn poot stijf houden en wachten op de volgende grote bus (Shire-Gonder, met stop in Debark) de volgende morgen of toch meer bieden en hopen mee te kunnen. Uiteindelijk gingen ze akkoord met mijn verhoogde bod van 50, en was er nog een kleine hoop dat ik Debark zou kunnen halen. Volgende stop zou eerst Adi Arkay zijn. De ‘boef’ pakte zijn winst en bleef gelukkig achter. Er bleef een alleraardigste chauffeur over die samen met mijn medepassagier op de voorbank, rustig een zak qat leegkauwden onder het kletsen. Qat is het verdovende middel dat in deze regio geteeld wordt en sinds kort verboden is in Nederland. Het schijnt na een upper een enorme downer op te leveren, de twee blaadjes die ik eerder kauwde hadden geen effect.
Het landschap was ondertussen fabelachtig met de toppen van de Simien Mountains die steeds dichterbij kwamen. Af en toe stopte hij kort zodat ik een – niet bewogen – foto kon maken. Het was al bijna donker toen we aankwamen in Adi Arkay, en zoals ik al vreesde was er geen bus meer die verder zou rijden. Eerder vertelden mensen me dat er vele minibussen vanuit Adi Arkay verder zouden reizen, maar het was duidelijk te laat.
Bij het neerhalen van de bagage van het rek was het drukte van belang, en mensen probeerden me ‘te helpen’ door de bagage aan te pakken, in de ruil voor geld. Ik had mede doordat doordrong dat Debark er niet meer inzat, even een wat minder goed humeur. De drukte verminderde dat niet echt, dus er volgde een uitbarsting ‘En nu allemaal aan de kant’. Helaas was dit olie op het voer voor enkele jongens, die me vervolgens tot binnen aan toe volgden tot het eerste hotel, waar ik vroeg naar een kamer. Ik vond het te duur, dus de stoet volgde me sarrend en wel naar een volgend hotel. Op een gegeven moment had ik daar ook genoeg van, dus tijd maar eens proberen of ik de grootste aanstichter kon raken met een trap naar achteren. Volgens mij lukte dit aardig, maar ik was duidelijk t ever gegaan, in dit dorp waar ik wederom de enige faranji was. Er volgde geen lynchpartij, mede doordat er in Ethiopië altijd wel een paar ouderen rondlopen die jongeren terecht wijzen als men te ver gaat. Dat ik al snel daarna in gesprek raakte met een werknemer van een ander hotel, zal ook wel meegeholpenhebben. Ik onderhandelde wat over de prijs en die was uiteindelijk goed. De eigenaar was er minder tevreden mee, maar ging akkoord.
Nog even terug de nu donkere straat op voor een fles water en meer info over de bussen morgen, gelukkig werd ik niet meer herkend en waren de jongens naar bed of zo. In het restaurant van het hotel sprak ik nog kort met een man die met de aanleg van de wegen in dit gebied bezig is, o.a. met het opblazen van stukken rots. Het zou nog zeker vijf jaar duren voor de hele weg naar Gonder klaar zou zijn. Dus mensen, wees gewaarschuwd, het is geen lekker stuk weg en minibussen houden er niet van. De volgende dag zou ik een grotere bus proberen, die zou om 6 uur vertrekken. Helaas had ik slecht geluisterd naar de raad van de wegwerker (ga om 5 uur) en was er pas na half 6. Dat kwam mede omdat de electriciteit was uitgevallen, en ik op de tast en met een zaklamp mijn tas moest inpakken. Toen ik aankwam op het station zat de bus al propvol, dus ik kon weer naar bed. Gelukkig liet de medewerkster van het hotel me er weer in. Volgende hoop: de beloofde minibussen. Beloftes van we vertrekken om 9 uur bleken niets waard, waarschijnlijk is ook dit stuk weg gewoon onbegaanbaar voor hen. De volgende kans was de grote bus die om 6 uur vanuit Shire naar Gonder vertrokken was, en zo rond elf uur voorbij zou komen. De hoteleigenaar zou hem aanhouden voor het hotel, dus zou moeten lukken. Ondertussen kwam een groep uitgeputte Bulgaren aan bij het hotel. Ze gingen meteen aan het bier, na een trektocht van 10 dagen in de bergen. Hun busje naar Aksum stond al klaar, dus dat hadden ze goed geregeld. Had nog leuke gesprekken met een bergbeklimmer die evenals ik in Kirgizië had geklommen, alleen is hij een echte klimmer die met touwen aan de weer gaat. Het zou een leuke groep zijn geweest om eens een avondje mee te gaan stappen – er waren ook een paar leuke vrouwen bij, waarvan er één interesse hadden in mijn reizen (hoe gemakkelijk krijg je een man geïnteresseerd in je) – maar helaas zat dat er nu even niet in. Ze vertrokken voor de bus naar Debark/Gonder er was, en meteen was dat gevoel van enige faranji weer terug.
En daar was hij dan. De bus stopte inderdaad, en er stapte een lange rij mensen uit. Helaas niet omdat ze hier moesten zijn, maar omdat ze lunchpauze hadden. De bus ging op slot, en het leek er niet op dat er zo maar plek zou zijn. Er was ook een lange rij mensen die mee wou. Soms zijn tussenpersonen dan toch handig, en een jongen bracht me in contact met de conducteur. Die had het meteen over 100 Birr (waar had ik dat eerder gehoord), terwijl ook nu de verwachte prijs 30 zou zijn voor the locals. Kreeg er nog 20 af, maar dat was het dan. Daar kwam nog 7 Birr bij voor de tussenpersoon, die waarschijnlijk ook nog een commissie van de conducteur zou krijgen. Voor die meerprijs van 50 hoopte ik wel op een goede zitplaats maar dat zat er niet in. Een plek op het motorblok ingeklemd tussen vijf anderen kon wel. Staanplaatsen zijn trouwens verboden in Ethiopië. Ook nu was de weg weer abonimabel slecht, maar het landschap prachtig, helaas geen foto’s van al dat moois, ik was blij dat ik me voldoende vast kon houden tijdens al die keren dat we door elkaar werden geschud. En na een uur of drie tot vier was daar dan toch eindelijk Debark.
Simien mountains, alles vergeven en vergeten
Eerst op zoek naar het Simien Park Hotel, the place to be. Daarna zo snel mogelijk alles proberen te regelen, zodat ik ook echt de volgende morgen op pad kon. Het gaf meteen een hoop nieuwe energie. Ondertussen was er een merkwaardig schouwspel gaande op de grote doorgaande weg voor het hotel, die volledig gerenoveerd werd onder toeziend oog van een Chinese opdrachtgever. Een bulldozer was de grond aan het losmaken, waarbij steeds grote stenen te voorschijn kwamen. Die waren dan vervolgens de prooi van zo’n veertig jongens, mannen en vrouwen. Ze kregen daar zo’n 0,05 of 0,10 Birr per steen voor, waarschijnlijk konden ze worden doorverkocht aan aannemers in de (wegen)bouw.
1 euro is ongeveer 22,50 Birr, dus men moet zo’n 225 tot 450 stenen rapen voor 1 Euro. Het dagloon ligt echter soms maar op 8 Birr (in de bloemensector een aantal jaren geleden), maar 20 Birr als minimum dagloon wordt ook veel genoemd. Het vreemde was dat een politieagent en later ook een soldaat het de stenenrapers zo moeilijk mogelijk maakte en er op los sloegen met een stok. Dat weerhield hen er niet van gewoon door te gaan met stenen rapen. Wat de politie dan weer niet erg genoeg vond, door met meer mensen op te treden.
De medewerkers van het kantoor van Simien Mountains National Park waren aardig en hulpvaardig, hier zou ik alles kunnen regelen (en betalen), behalve het voedsel. Ik had al besloten dat ik vijf dagen zou lopen en vier nachten zou slapen in het park, zo’n beetje overeenkomend met de ‘ Lonely Planet-route’ waarover eerder ook een Belgische in Addis had verteld. Het hoogste punt zou mount Bwahit op 4430 meter moeten worden, maar een beetje lager als de hoogste berg van Ethiopië Ras Dashen (4543 m). Ik had al vele enthousiaste verhalen over de Simien-mountains gehoord. Er was alleen nog een tijdje twijfel of ik wel een groep zou kunnen vinden om zo de kosten voor gids, muilezels en begeleiders, bewaker (scout), tent en kookspullen te kunnen delen. In mijn eentje leek het me wel erg duur te worden. Een Chinees sprak enthousiast over een tour die hij maakte vanuit Gonder van $50 per dag ($250 totaal), en als contrast over een groep die hij tegenkwam en die het zelf hadden georganiseerd, maar die veel problemen met gidsen hadden gehad over eten en geld. De twijfel verdween toen ik in Aksum maar geen potentiële medetrekkers tegenkwam en bij een monument kort een Duitser sprak. Hij had de trekking in zijn eentje gedaan, met slechts een verplichte scout, een muilezel en begeleider hiervan. Hij sliep wel in een tent en kookte zelf. Er zouden echter ook restaurants zijn in de meeste slaapplaatsen en waarschijnlijk zou ik binnen kunnen slapen i.p.v. in een tent. Dus dat scheelde een tent, kookspullen, avondeten en dus ook een muilezel met eigenaar.
Uiteindelijk vertrok ik alleen met scout Mulat, die dan wel geen Engels sprak, maar wel precies de weg wist. Zo koste de hele tocht van 5 dagen me $100, inclusief entreegeld, loon en fooi aan de scout, een gehuurde slaapzak (voor de zekerheid, maar slechts 2 dagen nodig, doordat er maar één deken beschikbaar was in sommige lodges), ter plaatse gehuurde slaapplekken in dormitories en al eten. Ik had slechts brood, een pot jam, bananen en wat droge tarwekorrels mee, warm avondeten kon ik krijgen bij de lodges. Water was te krijgen uit lokale tappunten waar je grondwater kon oppompen of dat zo uit de kraan kwam. Helaas lagen die waterpunten wel wat ver van de lodges, maar natuurlijk niets vergeleken met de kilometers die vele Afrikanen dagelijks moeten afleggen om een dergelijk waterpunt te vinden. Voor de zekerheid deed ik er drie druppels betadine per liter bij, om het water zo goed mogelijk te zuiveren.
Het was wel een aardig gezicht op de foto bij vertrek. Ik met toch nog een redelijk zware rugzak – mede door het luchtbed dat ik uit vrees voor dunne matrassen altijd meesleep – hij met een kleine plastic draagtas over zijn schouder, met wat eten een fles water en wat doeken tegen de kou. En dan natuurlijk zijn geweer, waarvan het nut me niet helemaal duidelijk is. Hij sliep in de meeste plaatsen in een aparte ruimte voor scouts, gidsen en begeleiders van muilezels. De meeste mensen die destijds door het gebied trokken gingen wel georganiseerd in tours op reis en sliepen in tenten. Zo was er een grote groep Russen, een groep Belgen met een Nederlander en een klein groepje Duitse meiden met een maffe Amerikaan en Robi, die aardige Ethiopische tourorganisator die een deel van de tocht meeliep. Na een koude tweede nacht in Geech sliepen zij net als ik binnen in de lodge van Chenek. Het waren vooral deze twee plekken die op ruim 3.600 meter liggen, waar het ontzettend koud werd na zonsondergang. Daarbij kwam nog volkomen onverwacht: regen… Na het regenseizoen van juli t/m september zou het namelijk zeker tot het voorjaar zonnig en droog moeten blijven in de Highlands. Maar al tijdens de eerste nacht in Debark wist ik niet wat ik hoorde: stortbuien gedurende uren op het dak. Er is niet veel ergers dan uren lopen in de regen, terwijl je rugzak en alles wat daarin zit langzaam nat worden. Ik had het al een keer in Nepal meegemaakt, tot aan het paspoort toe was alles doorweekt. Gelukkig viel het dat wat betreft erg mee hier. Wel elke dag regen maar pas vanaf een uur of 15.00. ‘s Morgens begon het altijd met zonnig weer, en als je een beetje doorliep was je voor de regen binnen. Helaas waren er wel meer wolken dan normaal, dus een gedeelte van de beloofde views ging verloren in de dichte mist en de wolken. Daar hoorde ook het zicht op Ras Dashen bij vanaf de top van de Bwahit. Die voorbij drijvende wolken zorgden echter soms ook weer voor een mooier ‘romantisch’ beeld en voor mooie zonsondergangen na de buien.

Dan ff kort de route. Eerste dag door akkerland en heel modderige paden van Debark (2845 m) via Buyit Ras naar Sankaber (3250 m). Onderweg kregen we bonen en erwten aangeboden van de plaatselijke bevolking, maar Mulat vond soms ook dat het gemeenschappelijk eigendom was en trok de planten ook voor eigen gebruik uit de grond. Waar ik op de terugweg wat van zei, toen hij me de bonen aanbood, maar hij deed net of hij het niet begreep.
Vlak voor Buyit Ras was een klim waar maar geen eind aan kwam. Zo’n berg met ‘vier toppen’. Daarna een wandeling door weiden met bomen die onder de korstmossen bedolven zijn. In één van de weiden ook een ongelofelijk schouwspel als je het voor het eerst ziet; een groep van zo’n 30 grazende Gelada-bavianen. Hoe dicht je ook bij hen in de buurt komt, ze trekken zich weinig van je aan, en gaan maar door met gras plukken, wat ze na een pluk of vijf in hun mond stoppen. Ondertussen maken ze zachte geluiden naar elkaar. Er zijn zowel mannetjes als vrouwtjes, deels met jongen op hun rug als ze verder lopen. Het lijkt er heel vreedzaam aan toe te gaan. Maar een duo Amerikaanse onderzoekers dat hier een jaar verblijft, vertelde dat er wel degelijk een oppermannetje is, die 87% van de vrouwtjes bevrucht. De rest wordt door de overige mannetjes bevrucht, zodat zij ook een goede reden hebben om bij de groep te blijven. Na een leiderschapswissel – dat kan na 1 maand of 5 jaar (gemiddeld 2 jaar) – probeert de nieuwe leider alle jongen van de vorige baas te doden. Jongen tot 2 jaar lopen nog gevaar te worden gedood. Mijn zoomlens deed wonderen, en gelukkig keken de apen soms op.
Het laatste stuk naar Sankaber ging meer door bossen, met mooie bloemen in alle kleuren van de regenboog. Verder waren er weer de nodige vogels te zien, zoals de raaf met zijn merkwaardige brede kop die in paartjes leeft, ibissen, de lammergier en vele zangvogels. Het leverde vele fotostops op. Na een tijdje keek Mulat dan om, en stopte als hij me bezig zag. Dus behalve de vierde dag dat we echt veel moesten lopen, had ik alle vrijheid zelf het tempo te bepalen.
Na een dag door de velden, kregen we op het einde van de dag ook voor het eerst zicht op de enorm diepe kloof naar het Noorden toe. Het is dit spectaculaire uitzicht met puntige bergen aan de horizon dat de Simien mountains-gebied zo speciaal maakt. De rest van de dagen loop je dan verder over een plateau, met hoogte verschillen tot zo’n 400-500 meter.
De dag eindigde in de Sankaber-lodge waar ik een hele dormitory voor mezelf kreeg, en om 18.30 uur injera met een pittige rode groentensaus mee mocht eten met één van de twee gezinnen die bij de lodge wonen. Als vervanging van de afwezige electriciteit kreeg ik een rechthoekige doos met lampen mee, die op batterijen liep. Kon ik eindelijk eens in het werkboek van Het Tiende Inzicht, van James Redfield gaan lezen. Het ging over intuïtie en dromen, kwam mooi van pas, want zoals wel vaker op reis, onthoud ik veel meer dromen dan thuis, die ik dan zo snel mogelijk probeer op te schrijven voor ik ze vergeet. Die dromen zouden dan vooral verwijzen naar oud zeer uit je jeugd, maar soms bevatten ze ook belangrijke boodschappen voor nu. Zal jullie niet vermoeien met welk oud zeer en wijze lessen dat zouden kunnen zijn, daarbij heb ik die ‘analyse’ nog niet klaar.
Dag 2 begonnen we om 6.30 uur met zoning weer op weg naar Geech (3600 m). De tocht voerde eerst naar een viewpoint op een een honderden meters lange waterval . Een Nederlands stel uit Nijmegen liep ook tot hier, en zou daarna terugkeren naar Debark. Na een lange klim bereikte we het dorp Geech, waar een vrouw me eerst wat eieren verkocht waar later nog injera om de eieren op te doen, en thee bij kwamen. Terwijl zij dit alles klaarmaakte kreeg ik de kans rond te kijken in in haar typische ronde huis met rieten dak, de zogenaamde tukul. Ook hier was naast plaats voor het gezin, een deel van de ruimte bested voor het vee. Ze sprak vrij goed Engels, en had twee kinderen.
Even tussendoor over het gebrek aan voorziening in basisbehoeften
De jongste baby van haar was echter ziek, en ze vroeg om medicijnen. Ik ben geen dokter, en zou niet weten wat hij nodig had, dus stelde voor dat ze naar de dokter in Debark ging. Waarschijnlijk zijn die reiskosten van 20 Birr en de bijkomende kosten aan de arts en apotheker echter te hoog voor haar. Tja, dan komt de heersende armoede weer even heel dichtbij. Die zie je overigens vooral in de stad door het groot aantal daklozen, dat overdag op de trottoirs en openbare ruimtes ligt te slapen en het groot aantal bedelaars. Vooral gehandicapten, ouderen en vrouwen met baby’s in hun armen. Bij schrijnende gevallen geef ik soms wat. Maar meestal niet (kan ook te maken hebben met niet je portemonnai te voorschijn te willen halen in een drukke straat) en dan blijf je toch vaak met een ongemakkelijk gevoel over. Door de schrijvers van de Lonely Planet-reisgids wordt vooral het geven aan kinderen afgeraden. Maar waarschijnlijk zijn er eerder veel toeristen langsgekomen met dozenvol pennen, want vooral daar blijven ze naar vragen. De Ethiopiërs geven overigens ook best veel aan bedelaars, vooral bij de kerken. Je kan overigens voor weinig geld qua voedsel overleven, zo kocht ik een (gebarbecuede) maiskolf voor 2,5 Birr (0,10 euro cent). Maar het is onmogelijk voor de armsten om dagelijks een fles water te kopen, een fles van 2 liter is al gauw 10 Birr (ongeveer een halve euro). Dus zal een groot deel het al dan niet goed genoeg gezuiverde kraanwater drinken, of dit eerst koken. Op het platteland zijn die gezamenlijke tappunten overigens nog lang niet op alle plaatsen aanwezig, en dan is men aangewezen op rivierwater.
We vervolgden onze weg naar Geech-kamp dat nog een stuk doorklimmen was tot we een vrijwel boomloze vlakte bereikte, met de beloofde lodge en een stuk verder de camping, met een waterpunt. Nu was het zaak vanwege het snelle afkoelen zo snel mogelijk te wassen en warme kleren aan te trekken. Hier had ik ongeveer alles nodig wat ik bij me had (2 broeken, 2 thermische shirts, bloes, trui, regenjas), want er stond ook een stevige wind. Ik ontmoette hier de al genoemde Robi, een Ethiopische tourleider, die nu voor het eerst ook een deel van de route liep, die hij aan zijn vooral westerse klanten verkocht. Maar hij zei erbij ‘Blacks don’t like to walk’, dus een deel van de route reed hij in zijn auto. Hij bood me een bier aan, en daar zou het niet bij blijven. De volgende dag in Chenek kon ik met zijn groep mee-eten. Zij hadden inmiddels hun tent ook voor een slaapplaats in de warme lodge verrruilt. Hij had speciaal voor hen een schaap aangeschaft, dat zielig stond vastgebonden, voor het geslacht werd. Het kostte hem 600 Birr, nog geen 30 Euro. Ook ging er een fles lokale drank en later een fles oezo rond. Maar ook in Addis Abeba ging zijn vrijgevigheid gewoon door, en lukte het me pas laat afgelopen zaterdag in een nachtclub om hem eindelijk een fles bier terug te geven. We hadden ook interessante gesprekken over de suikerrietplantages in de Omo-vallei die het Mursi-volk van hun land verdrijven. Volgens hem moeten zij net als andere Ethiopiërs ontwikkeld worden en naar school om banen te zoeken. Dat is volgens hem beter dan hun eeuwenoude levenswijze van landbouw en veeteelt te blijven volhouden. We waren het er wel over eens dat het goed was dat Ethiopië heel lang haar grenzen gesloten heeft gehouden voor multinationals in onder andere de banken- en telecom-sector, supermarkten en fastfood-sector. Zo heb ik nog geen McDonalds gezien. Het lijkt er echter op dat de markt de komende jaren meer geopend zal worden. Dat volgens ons beiden nadelig zal uitpakken voor de werkgelegenheid zowel in de formele sector als in de informele straathandel. Verder hadden we het besnijden van meisjes, dat nog op grote schaal voorkomt in Ethiopië ook onder christenen. Pas de laatste tien jaar schijnt er meer tegenstand tegen te komen. Maar het maakt weer eens duidelijk dat dit weinig met religie te maken heeft en meer met cultuur.

Uiteindelijk hield ik mijn dormitory ook in Geech voor mezelf en kon ik een extra deken van een ander bed lenen, maar op de derde dag in Chenek (3620 meter) was het dus volle bak. Nu kwam mijn slaapzak eindelijk van pas, want ook hier was het steenkoud. De derde dag op weg naar Chenek ging lang over de vlakke altiplano met veel lobelia’s, de op deze hoogte voorkomende grote vetplanten. We kwamen uit bij een diepe kloof die vlakbij de klim naar de Imet Gogo lag, dit is een berg op 3.926 meter hoogte. Tijdens de klim kwamen we weer de Gelada-bavianen tegen. Dit maal liet een mannetje zijn indrukwekkende tanden zien, toen hij zijn bek wagenwijd opende. Het uitzicht was prachtig, maar de wolkenmassa werd snel dikker. Toen we de afdaling begonnen was het al bijna dichtgetrokken, en de Belgen die er net aankwamen, zullen niet veel meer gezien hebben. Na de afdaling vervolgens een klim over een glibberig bospad naar een plateau bij een kloof op zo’n 4.000 meter. Helaas hier ook slechts mist in de diepte, wat vervolgens gold voor alle viewpoints tot aan Chenek. We haalden de grote groep Russen nog in, en waren gelukkig binnen voor de regen naar beneden stortte en vervolgens tot een uur of half 6 aanhield. Binnen in de lodge was het echter comfortabel. Na de regen nog even naar buiten, voor enkele prachtige foto’s nu de wolken weer waren weggetrokken.
Ik hield me in met de oezo die avond, want mij wachtte nog een klim naar mount Bwahit (4.430 m) de volgende morgen. De planning was om 6 uur te gaan lopen. Maar vroeg slapen zat er niet in Robi en een Amerikaanse man hadden zich duidelijk niet ingehouden met de drank en de joints. Voor hen en de Duitse meiden zat de wandeling erop, zij zouden de volgende morgen met een Four Wheel drive naar Debark en Gonder terugkeren. Pas rond elf uur kreeg de eigenaar van de lodge hen stil.
Ik schrok op dag 4 wakker om 6.20 uur, het beloofde wekken door de eigenaar was er helaas bij ingeschoten. Mulat stond al klaar voor vertrek, maar pas om 6.40 uur konden we op weg. Had gepland om 8 uur op de top te zijn en om 9 uur terug in het kamp, waarna er nog een tocht van 7 uur naar Sankabar zou volgen. Het liep iets anders. Mede door de drank, het gebrekkige ontbijt, het vele roken en/of de joint kwam ik niet vooruit, ondanks dat ik de meeste bagage in de lodge had achtergelaten. We moesten echter toch 800 meter omhoog, dus het was zaak in een ritme te komen zodat ik niet buiten adem raakt. Na ongeveer een uur lukte dat. Daarvoor hadden we gelukkig al de beloofde Walia Ibex gezien, die erg veel op de Europese steenbok lijkt. Ook deze dieren zijn erg tam dus je kan dichtbij ze komen. We zagen een impossant mannetje met een groep vrouwtjes. Toen ik tussen hen instond om foto’s van de rest van de groep te maken, verdween hij echter over een klif, en zagen we hem niet meer terug die dag…
Het ‘pad’ over het laatste stuk naar de top was besneeuwd, maar er kwam ook al veel smeltend water naar beneden. Op de top een aardig uitzicht maar door de bewolking niet van de Ras Dashen iets verder op. Mulat had haast tijdens de afdaling dus die ging ik razend tempo. Het kamp was intussen uitgestorven, ik haalde water en dronk snel een thee, bestelde een injera voor het ontbijt de volgende morgen en had nog een broodje met jam en een banaan over. Pas om 11 uur konden we op pad, dus zouden we net voor het donker in Sankabar kunnen zijn.
Ik dacht ‘dan gaan we nu afdalen’, maar dat zat er niet in; de eerste twee uur eerst zo’n 200 meter omhoog over de onverharde weg waarover ook de trucks, minibussen en 4 Wheeldrives rijden. We bleven deze weg de hele dag volgen, een stuk saaier dan de paadjes die we eerder hadden gehad, maar ook een stuk sneller. We hoefden ook niet meer naar Geech en andere dorpen. De wolken pakte zich echter al weer samen, en al rond 13.00 uur vielen de eerste druppels. Gelukkig zette dat niet door, maar wel een motivatie om snel door te lopen. Af en toe vroeg ik Mulat ‘hoe lang nog?’, en het bleek dat we voor lagen op het schema. Om 15.00 uur begon het toch te regenen. Zweet of regen maakte op zich niet zo uit, dus hield mijn regenjas nog even uit. Om 16.00 uur was daar dan toch Sankabar, het was gestopt met zachtjes regenen (meer een plensbui), maar het water was gelukkig nog niet de rugzak binnengedrongen. Ik kon weer hetzelfde bed krijgen, en had het zo koud dat ik eerst een paar uur met alles aan onder de dekens ben gegaan. Had ook last van brandend maagzuur, door te weinig eten of de betadine in het water? Dus de injera met pittige saus die ik rond 18.00 uur voorgeschoteld kreeg, beviel me totaal niet, en nam ik mee naar mijn kamer. Uiteindelijk verdween die een dag later in de ‘WC’. Rond 19.30 uur kreeg ik onverwachts bezoek, een grote groep Ethiopiërs kwam in dezelfde dormitory slapen. Dat betekende: einde vrijheid en spullen inpakken. Een man vroegt ‘Are you afraid of your stuff?’. Ik kon moeilijk ja zeggen, maar was het wel. Dat hadden ze wel in de gaten, dus het contact verliep verder erg minimal en zakelijk. Het is met dit soort ‘vertrouwenszaken’ zo dat het meestal goed gaat, maar dat als het fout gaat of er wel kwade wil in het spel is, ik mijzelf niet wil verwijten dat ik er niet alles aan heb gedaan om dit te voorkomen.
Door gebrek aan dekens sliepen enkelen van hen trouwens met zijn tweeën in bed, en om kwart over negen ging het licht uit. Onder groot gejuich van de eigenaar bleek er namelijk vandaag (voor het eerst?) wel electriciteit.
Dag 5 Van Sakanbar terug naar Debark. Rond 6.30 stond ik op om water te halen en voor ontbijt. Door een ijzeren raam te openen had ik voldoende licht. De meeste Ethiopiërs sliepen echter nog. Sommigen lagen al om 20.00 uur in bed, dus ze hadden wel erg veel slaap in te halen. Malut had ik ondertussen ook al verwacht, maar die zal wel gedacht hebben dat ik toch weer te laat zou zijn. Vond hem uiteindelijk na een tijdje zoeken op de camping in één van de verblijven voor scouts, gidsen en muilezeldrijvers. Deze tocht verliep identiek als de eerste dag, met dit verschil dat het zaterdag en dus marktdag was, zowel in Sankaber als Debark. We kwamen veel mensen tegen die hier naar op weg toe waren of vanaf kwamen. Vooral in Debark was het erg druk, en was er onder andere een grote schapenmarkt en veemarkt. Onder normale omstandigheden was ik er eens goed voor gaan zitten, maar nu had ik haast want wou persé Gonder halen. Mulat werd ondertussen verwelkomd door vele dorpelingen. Hij had duidelijk een baan die in aanzien stond, en hopelijk krijgt hij alle 75 Birr per dag, die ik betaalde voor hem, ook zelf in zijn handen.
Er is nog een regel die stelde dat als je zowel de Bwahit beklimt en naar Sankaber loopt je de dubbele entrée voor die dag en het dubbele bedrag aan de scout moet betalen. Ik had verwacht dat Mulat me wou laten afrekenen bij het kantoor, maar dat was hij niet van plan. Dus verhoogde ik zijn fooi en vond het wel goed zo. We hadden die dag 9 uur gelopen, iets wat veel andere wandelaars ook doen op een normale dag.
Bij Simien Park Hotel betaalde ik voor de achtergelaten bagage en kreeg gelukkig een kamer om even om te kleden en de tassen opnieuw in te pakken. Vervolgens eens kijken hoe het vandaag met de bussen zou gaan. Er was een officiële busstation beambte die me naar een minibus wees, maar ook nu kwam ik niet weg met extra betalingen voor tas op het dak en extra betaling voor die tas. Het was allemaal te overzien. De reis van zo’n drie uur werd alleen nog onderbroken door een man die de bus onderkotste, en vervolgens zelf alles moest opruimen. Het gaf me meteen de gelegenheid te vragen de rugzak naar binnen te halen, want het was stevig gaan regenen. De weg was verder goed geasfalteerd.

Gonder, tijd voor verslagen en foto’s uploaden
De conducteur van de bus had een vriendje gewaarschuwd, want die stond me al op te wachten om naar Belegez Pension te brengen (had ik maar niets gezegd, maar hoopte misschien dat ze me daar zouden afzeggen). Ik zei bij aankomst dat ik geen hulp nodig had, maar dat weerhield hem niet om mee te lopen. Bij het hotel zei ik dat ik niet weet wie hij was, en dat ik niet om hem gevraagd had en niet van plan was om commissie voor hem te betalen. Hij was er niet blij mee, maar vroeg hem nog wel even te bedanken, wat ik met tegenzin deed. Belegez stond goed aangeschreven in de Lonely Planet en was inderdaad een perfecte om eens bij te komen van de trektocht. Ook de hoogste tijd voor de laundry-service.Verder maakte ik hier en in het restaurant tegenover Chef Special gemakkelijk contact met andere reizigers.
Gonder is de hoofdstad geweest vanaf 1636 t/m ongeveer 1750. Binnen de Royal Enclosure, staan enkele goed gerestaureerde paleizen en andere gebouwen, en dit gebied is omringd door een hoge muur. Buiten de stad ligt o.a. het bad van Fasiladas, een soort zwembad, dat nu droog staat, maar eenmaal per jaar wordt volgepompt voor het Timkat-festival. Binnen het bad staat een mooi gebouw en het bad is omringd door een muur waarin grote bomen zich geworteld hebben. Een bezoek is ook zeker de moeite waard.
Verder heb ik mijn tijd vooral achter de PC in het internetcafé doorgebracht om het eerste reisverslag te schrijven en alle foto’s van memorycard te copiëren op USB-stick. Een soort backup-systeem voor mocht een camera gestolen worden. En ook reuzehandig als tussenstap naar het uploaden van foto’s naar facebook. Dit alles duurde wel uren, maar is de moeite waard. Wil vrienden en bekenden toch af en toe laten weten waar ik mee bezig ben. En de reacties zijn ook altijd zeer welkom. Nogmaals dank daarvoor.
In het internetcafé kwam ik nog een Nederlands mediateam tegen, dat drie Nederlandse jonge lifters volgt per 4 WD en op video vastlegt. Zij zijn op reis van Groningen naar Zuid-Afrika en doen onderweg allerlei vrijwilligerswerk. Ze zijn te volgen op www.thumbsupafrica.org en via de gelijknamige facebook-pagina. Waarschijnlijk worden er ook documentaires hierover uitgezonden via Discovery Channel.
Op een dinsdagavond tussen 23.00 en 1.00 zag ik in een bijruimte van Ethiopia hotel met zo’n 20 jongens en mannen, nog de champions league wedstrijd Schalke 04 – Arsenal, een prachtige wedstrijd die in 2-2 eindigde (met goal van Huntelaar). De voetbalcompetities blijf ik ondertussen ook volgen via www.vi.nl , en daarbij worden vooral Engelse wedstrijden in de grote steden van Ethiopië uitgezonden. Soms tegen betaling van entrée, maar dan nog zat het vorige week in Addis Abeba bomvol.

Tana-meer en Bahir Dar, inclusief de Nederlandse politiek
Volgende ‘verplichte’ stop is het Tana-meer, de plek waar vandaan de Blauwe Nijl ontspringt. Bij Khartoum in Sudan komt die dan samen met de Witte Nijl en vervolgt dan zijn weg naar Caïro. Tevens liggen er allerlei mooie kloosters op eilanden in – en om het meer. Dus iedere toerist boekt bijna een boottocht om er een aantal op te zoeken. Ook hiervoor stonden al weer mensen klaar op het busstation. Een paar kon ik afwimpelen maar een volgende bracht me naar Bahir Dar Hotel en van daaruit was het eerste wat hij deed de tocht aanbieden. Kon nog wel navraag doen bij een andere tourorganisatie maar de prijs van 300 Birr leek ok. De dag wou men er echter nog 100 bij, omdat er een stel ziek was geworden. We zouden nog maar met z’n 4-en over zijn, en hoewel hij had gezegd dat zowel bij lage als hoge aantallen deelnemers de prijs 300 was, ontkwamen we er niet aan onder protest 50 bij te betalen. We hadden een leuk groepje met een Duitse journalist/schrijver en een Nederlands stel, een journalist bij de Volkskrant (Jeroen Visser, die politiek voor de website doet) en Kim die werkt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken op gebied van international veiligheid. Konden we meteen de huidige politieke situatie in Nederland doorspreken zoals b.v. de PvdA die (precies volgens zijn verwachting) meteen de SP liet vallen, en wederom met de VVD een neoliberale agenda kan gaan doordrukken. Ben blij dat ik die Paarse ellende even niet van dichtbij hoef mee te maken. Hij kende Marjolein van de Water ook goed die sinds kort correspondent in Latijns Amerika voor de Volkskrant is en - daar waren we het overeens – goede kritische stukken publiceert. Zij draagt mede bij aan het – gelukkig – meer linkse profiel van de krant sinds kort.
Tja die boottocht, achteraf had ik liever een lokale bus genomen naar het mooiste klooster Ura Kidane Meret. Dit ligt op een schiereiland, dus zou met die bus te bereiken moeten zijn. Als je door de lange rij met souvenirsstalletjes bent gelopen kom je terecht in een prachtige ronde kerk, met ‘muren’ van rotan. De kerk is metershoog en alle wanden rond de centrale voor het publiek onbegaanbare binnenplaats, zijn bedekt met prachtige schilderijen. Er was ook een gebedsdienst gaande wat de sfeer nog eens verhoogde. Bij de kerk is een klein museum met (zeer) oude kronen, kruizen en heilige boeken. Maar dan stonden er er nog vier andere kloosters op het programma. Elk klooster vroeg 100 Birr entrée, meer dan 4 euro dus. Een Letse man, toevallig ook schrijver en journalist, die ik Bahir Dar Hotel ontmoette, weigerde daarom principieel deze kloosters en andere kerken met entrée te bezoeken. Kerken en tempels behoren volgens hem gratis toegankelijk te zijn, zoals in de rest van de wereld. En daar had hij wel een punt.
Maar daarbij waren van twee van deze kloosters de kerken gesloten, en we mochten zonder betaling niet eens de buitenkant zien. Daar hadden we weinig zin in. We besloten dan maar een ander klooster te bezoeken dat niet in de reisgidsen stond. En terecht want het was een nieuw betonnen gebouw, met enkele geschilderde doeken aan de muren. Tja ik heb nog van weinig dingen zo’n spijt gehad, dan dat ik de andere drie volgden toen zij wel naar binnen gingen.
Tenslotte was een kijkje in begrepen op de plek waar de Nijl het meer verlaat. En ik moet zeggen dat de landelijke omgeving van het Debre Maryam-klooster ook best de moeite waard was. Maar als je ergens op wilt besparen laat dan die boottocht op het trouwens bruine i.p.v. blauwe meer maar zitten en pak de bus.
Wat wel de moeite waard was was een wandeltocht naar het dorp Weyto, waar ik na een tijdje zoeken de plek vond waar ze al eeuwenlang de typische papyrus (een soort riet) boten maken. Ze lijken precies op de boten die ze op het eiland Uros in het Peruaanse Titicacameer gebruiken. Ik kwam echter net voor zonsondergang aan, dus er was niet veel bedrijvigheid meer gaande.
Niet te missen zijn verder de watervallen in de Nijl bij Tis Isat, zo’n 35 kilometer over een slechte weg vanaf Bahir Dar. Maar let ook hier op voor je een tour boekt die al gauw 175 tot 200 Birr kost. Als je voor 8 of 9 uur vertrekt vanaf het busstation kun je heen en terug voor 26 Birr met de lokale bus. Dan is het daar aangekomen nog zaak de meelopende gidsen te weerstaan, wat mij wel lukte maar de Duitser niet. Zie ook hier weer mijn eerder opgeschreven gevoelens over meelopende mensen.

Terug in Addis, vooral veel regelwerk en interviews over landgrabbing
Resteerde nog een reis van ruim 10 uur naar Addis Abeba, die o.a. door de Blue Nile gorge ging, een prachtig stuk landschap met een afdaling en beklimming van zo’n 1.000 meter naar en vanaf een brug over de Nijl. We hielden hier ook de eerste fotostop die ik in Ethiopië meemaakte.
In Addis aangekomen smachte ik ondertussen naar de groentesoep bij KC Corner naast Hotel Taitu. De prijzen voor de kamers waren helaas verhoogd, naar minimaal 177 birr (duurste kamer die ik tot nu toe betaalde), maar de plek is zo onweerstaanbaar dat ik er graag naar terugging. Daarbij hebben ze boxen om waardevolle spullen op te bergen en 20 minuten gratis internet, maar als er geen wachtenden zijn kun je ook langer blijven zitten.
Verder de hoogste tijd om naar mijn camera en lens te laten kijken, want de autofocus werkt niet meer goed bij mijn 18-70 mm-lens (gelukkig nog wel bij de 70-300 mm lens). Verder is het mensen die mijn foto’s op facebook bekeken hebben, misschien opgevallen dat er soms een vervelende zwarte vlek te zien is op de foto’s van vooral landschappen. Die krijg ik standaard cadeau van de camera ook bij de andere lens. Ik had dat al laten repareren bij de MegaMarkt, direct na aankoop, maar blijkbaar niet afdoende, en dus best wel balen. Kan niets anders doen dan alle foto’s die ik wil afdrukken te proberen te herstellen via photoshop.
Robi wist nog wel een Indiase man die camera’s repareert, maar helaas had die nu te veel tijd nodig. Ga weer terug na hem als ik terug kom uit Oost-Ethiopië. Want welke richting je ook opgaat in Ethiopië, iedere keer kom je terug in Addis.
Verder moest het visum voor Somaliland geregeld worden en ik sprak nog twee experts op gebied van landgrabbing. Van de vier geïnterviewden wilden er twee anoniem blijven, zo gevoelig ligt de kwestie. Maar gelukkig mocht ik mr. Rahmato noemen en het interview zelfs deels op video opnemen. Zijn visie heeft hij ook opgeschreven in boeken, die de overheid zeer kritisch benaderde, maar hij voelt geen angst om opgepakt te worden. Ik ga nog onderzoek doen op andere plekken in Ethiopië, maar pas publiceren als ik het land uit ben. Hopelijk lukt het ook om het artikel liefst betaald, in een Nederlands tijdschrift te publiceren. Robi wist trouwens nog de naam van een Engelssprekende Mursi-man, het inheemse volk dat wordt bedreigd door grote suikerplantages. Hen en andere volkeren in de Omo-vallei ga ik later opzoeken.
Terug bij Robi, hij bracht me afgelopen zaterdag in zijn VW-Kever (ongeveer dezelfde als ik heb) van een huisfeestje, via een ‘normale’ bar van een Franse eigenaar, met veel expats en reizigers, naar uiteindelijk een leuke nachtclub waar ik eindelijk weer eens aan dansen toekwam. Zoals eerder gezegd lukte het me pas op het eind hem een biertje terug te geven. Mede dankzij hem kon ik meemaken dat Ethiopië toch best wel een aardig nachtleven heeft, als je de juiste plekken maar kent.

Ik zie dat dit verhaal volledig uit de hand is gelopen qua lengte, en ook tijdens bij het uploaden van foto’s ben ik blijkbaar niet in staat om een scherpe sellectie te maken. Hopelijk komt er toch nog iemand toe aan toe om deze schrijfsels te lezen en de foto’s te bekijken. Sowieso vond ik het leuk om het op te schrijven.

Alvast bedankt voor je eventuele reactie aan guusgeurts@yahoo.com
www.guusgeurts.nl

Met de vriendelijke groeten uit Harar, 16 november 2012

  • 26 November 2012 - 22:51

    John Willems:

    Guus,

    leuk verhaal en zo te zien weer een hele extra levenservaring voor je.
    ga zeker nog even bij zo'n Nederlandse rozenkweker langs; die voorzien het land van harde valuta, werkgelegenheid, inkomsten, gezondheidszorg en onderwijs. daar zul je ongetwijfeld een heel ander verhaal te horen krijgen dan wat die linkse praatjesmakers over landgrabbing vertellen.
    anyhow, maak er nog een leuke reis van, en ik ben benieuwd naar je volgende verslag.

    groet,
    john willems.


  • 02 Januari 2013 - 19:56

    Henk:

    geweldig verslag.. indrukwekkend

Reageer op dit reisverslag

Guus

Actief sinds 12 Okt. 2012
Verslag gelezen: 3255
Totaal aantal bezoekers 46470

Voorgaande reizen:

12 Oktober 2012 - 30 Januari 2013

Out in Africa

Landen bezocht: