Ethiopië Deel 4A - Zuid-Ethiopië o.a. Omo-valley

Door: Guus Geurts

Blijf op de hoogte en volg Guus

08 Maart 2013 | Ethiopië, Jinka

Reisverslag Ethiopië, Somaliland en Kenia

Deel 4 Zuid-Ethiopië: Debre Zeyit, (Lake) Ziway, Awasa, Arba Minch en Dorze, Konso en omliggende dorpen, Lower Omo-valley (Key Afar, Jinka, Mago National Park, Turmi, Dimeka en Omorate)

Dit verslag zal ook verschijnen op http://guusgeurts.waarbenjij.nu
De bij dit verslag behorende foto’s zijn te vinden op de volgende facebook-pagina’s:
- 4A: Debre Zeyit, Lake Ziway, Awasa (meer), Arba Minch en Konso: http://www.facebook.com/media/set/?set=a.10151265836693068.471024.737523067&type=1&l=6cba19a27f
- 4B: Omo-valley: Key Afar, Jinka, Mago National Park (bezoek aan Mursi en Bodi), Turmi, Dimeka, Omorate en reis naar Moyale: http://www.facebook.com/media/set/?set=a.10151312180893068.473376.737523067&type=3
- 4C: Bull Jumping Ceremony Hamer - Omo-valley: http://www.facebook.com/media/set/?set=a.10151255073363068.469967.737523067&type=1&l=74fda890fc

Inmiddels ben ik al weer sinds 30 januari thuis in Amsterdam en is ook carnaval al weer een tijdje achter de rug. Terwijl een deel van jullie op de schaatsen stond, had ik mijn laatste weken de warmte aan de Keniaanse kust opgezocht, met minima rond de 25 graden en maxima rond 32 graden. Dus dat was een hele overgang naar de ongeveer 5 graden in Nederland. Inmiddels is de reisstemming – met vooral het voortdurende gevoel nuttig bezig te zijn, steeds weer nieuwe mensen ontmoeten en nieuwe dingen zien – al weer voor een groot deel weg. Tussen alle dagelijkse beslommeringen door zakken de mooie herinneringen aan Afrika dieper en dieper weg. Gelukkig heb ik nog wat steun aan mijn dagboek en krijg ik bij het uploaden van de foto’s op facebook en het schrijven van dit verslag weer het idee dat ik toch wel iets heel bijzonders ervaren heb, vooral in de Omo-vallei waar dit verslag grotendeels overgaat. Al vinden er momenteel ook dramatische schendingen van mensenrechten plaats in die vallei.

Debre Zeyit en Lake Ziway: veel vogels en rozen bestemd voor Nederland

Ik was in mijn vorige verslag gevorderd tot begin december. Vanuit Addis Ababa maakte ik een korte trip naar Debre Zeyit waar veel Ethiopische toeristen afkomen op de kratermeren Lake Bishoftu, Lake Hora en Lake Chelelaka. Vanuit het Bishoftu Afaf hotel heb je een prachtig uitzicht over eerstgenoemde meer. Een dag later wandelde ik rond Lake Hora waarbij ik onder andere pelikanen, ijsvogels, reigers en aalscholvers tegenkwam. Mijn zoomlens was helaas in reparatie in Addis dus foto’s maken van die vogels zat er niet echt in. Doordat ik een verkeerd pad koos en geen zin had terug te lopen, belandde ik tijdens mijn klauterpartij naar boven tussen de cactusbomen. Het duurde vervolgens een maand voordat alle stekels uit mijn huid waren ‘gegroeid’. Tegen zonsondergang beklom ik nog een heuvel met mooi uitzicht over Lake Hora en Lake Chelelaka.
In de verte kon je ook de vele kassen waarin rozen worden geteeld zien liggen. Vanwege de hoge temperatuur is het niet nodig om de kassen te verwarmen met gas, maar is het zeil nodig om de bloemen te beschermen tegen de zon. De volgende dag charterde ik een bajaj om gedurende een uur de kassen van dichterbij te bekijken. Al bij de eerste kas werd de chauffeur aangehouden door de politie, gelukkig konden we na tien minuten onze weg vervolgen en werd mij verder niets gevraagd. Wel moest ik volgens de chauffeur uiterst behoedzaam omgaan met het maken van foto’s om problemen met bewakers te voorkomen. Ik had me eerder ingelezen over de problemen door het hoge waterverbruik en de lage lonen en slechte arbeidsomstandigheden in de kassen. Toen de arbeids- en milieuwetgeving strenger werd in Kenia en de lonen voor de arbeiders hoger werden, besloten veel – vooral Nederlandse – eigenaren van kassen zich te verplaatsen naar Ethiopië. Debre Zeyit en Lake Ziway zijn daarbij de belangrijkste productiegebieden. Rond Debre Zeyit zijn de bedrijven verspreid over diverse locaties en worden er volop nieuwe kassen gebouwd. Bij Lake Ziway gaat het om één gigantische locatie van 450 hectare kas direct aan het meer. Deze is in handen van de Nederlandse investeerder Gerrit Barnhoorn, die zelf rozen teelt en een deel van het areaal aan vier andere Nederlandse tuinders verleast. De bloemensector in Ziway zorgt voor 12.000 arbeidsplaatsen en Barnhoorn produceert in zijn eentje al 600 miljoen rozen per jaar. Barnhoorn heeft een ziekenhuis, een school en een sportstadion gebouwd voor de lokale bevolking. Het ondernemingsklimaat - voor de rozensector - is verder ‘vriendelijk’ te noemen: vijf jaar belastingvrijstelling, benodigde materialen en machines kunnen zonder importheffingen worden geïmporteerd, het water is gratis en het leasen van 1 hectare kost 6 euro! per jaar. Verder investeert de overheid in de benodigde infrastructuur en telecommunicatie. De 1,6 tot 1,7 miljoen per dag geoogste rozen worden over de weg naar Addis Ababa vervoerd en vandaar naar het vliegveld bij Luik gevlogen en vervolgens per vrachtauto vooral naar de bloemenveiling in Aalsmeer vervoerd. De Ethiopische overheid heeft plannen om het areaal aan bloemen (90% rozen) te vergroten van 1.600 hectare in 2011 naar 3.000 hectare in 2016. Zie: http://www.vakbladvoordebloemisterij.nl/pdf/e9c04228f7e30312042249c66509e4b3.pdf, http://www.vakbladvoordebloemisterij.nl/pdf/44924ee3240054c61af0af5b89ad5d30.pdf, http://www.scwrijsenhout.nl/sponsoring/Sponsoren/hoofd-sponsoren/flowerport-logistics

Negatieve gevolgen zijn er echter ook. Zo sprak ik met Amare Hailu van de milieudienst HOAREC die in Ziway gevestigd is. Hij vertelde dat er enkele jaren geleden gevallen van massale vissterfte in het meer zijn geweest. Dit heeft direct gevolgen voor de lokale vissers die van dit meer afhankelijk zijn voor hun inkomsten. Daarop werd er tijdelijk maatregelen genomen, maar na een tijdje verdwenen die weer omdat die te hoge kosten voor de tuinders zouden meebrengen. Momenteel werkt hij samen met mensen van Wageningen Universiteit (DLG) en het ministerie van ELI (LNV) aan pilotprojecten om de vervuiling terug te brengen. Daarbij zijn de lonen zo laag dat ze eigenlijk onvoldoende zijn om fatsoenlijk van te kunnen leven. Men werkt in de kassen bij Ziway 6 dagen van 11 uur per week, en heeft een wisselende dag per week vrij. Daarvoor krijgt men het schamele bedrag van 96 Birr per week; iets meer dan 4 euro. Er zijn ook veel ziektegevallen bekend door het onbeschermd werken met bestrijdingsmiddelen, maar die situatie schijnt te verbeteren. Vakbonden zijn overigens nog niet toegestaan. Zie ook: http://www.viceversaonline.nl/2013/02/nog-steeds-veel-misstanden-in-ethiopische-bloemensector-werk-aan-de-winkel-voor-ploumen/ en een rapport van FIAN-Duitsland (2011): http://www.vakbladvoordebloemisterij.nl/images/user/mce/File/Bijlagen%20PDF%20Nieuws/fian_vergiftung_auf_raten_studie_aethiopien_2011.pdf

Lake Ziway is verder toch vooral een vogelparadijs. Het meer ligt op zo’n twee kilometer buiten het centrum. En de vogels laten zich gemakkelijk zien omdat ze afkomen op de plek waar de vissers hun vis schoonmaken. Te zien zijn: pelikanen, maraboes (een grote ooievaar met niet zo’n mooie kop, die je tot op een paar meter kan naderen), hammer cops (een bruine kruising tussen een eend en reiger), enkele reiger-soorten, ijsvogels, zeearenden, vele soorten steltlopers en zangvogels. De volgende morgen maakte ik een boottocht naar de nijlpaarden. Helaas durfden de twee roeiers niet erg dichtbij te komen en lieten de nijlpaarden maar een klein deel van hun kop zien. In Kenia werd dit volledig goed gemaakt op Lake Baringo.

Awasa en Arba Minch; nog meer steden aan de meren in de Rift-valley

Dwars door Oost-Afrika loopt een breuklijn die er over miljoenen jaren voor zal zorgen dat het continent zich zal opsplitsen. In die breuk hebben zich zowel zoete als zoute meren gevormd waartoe o.a. de zoet water meren bij Ziway en Naivasha in Kenia behoren. Bij beide meren zijn veel bloemenkwekerijen. Ook bij Awasa ligt een meer, dit is de hoofdstad van de Southern Nations Nationalities & Peoples Regional State. In verband met de strakke tijdplanning voor de komende weken zat een reis naar het nabij gelegen Sashemene en haar reggae-community er helaas niet meer in. Ik had die planning namelijk afgestemd op de vaste marktdagen in de verschillende dorpen in de Omo-vallei in het Zuidwesten van Ethiopië, en mijn visum dat op 23 december zou aflopen. Sashamene is uitgeroepen tot Rastafari-hoofdstad van Afrika. Ras Tafari staat ook wel bekend als keizer Haile Selassie die aan het bewind was in Ethiopië vanaf 1930. In 1974 werd hij afgezet en vermoord door het communistische Derg-regime. Door de Rastafari-beweging die opkwam in Jamaica in de jaren dertig werd hij gezien als de incarnatie van God – the Messiah of African Redemption – die zou zorgen voor vrede, rechtvaardigheid en vooruitgang. Dat Ethiopië - met uitzondering van twee jaar Italiaanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog - al die tijd onafhankelijk bleef, droeg bij aan zijn heldenstatus. Momenteel leeft nog steeds een groep van zijn volgelingen in deze stad. Zij zijn vooral afkomstig uit het Caraïbisch gebied en andere delen van de wereld.

Ik kwam laat in de middag aan in Awasa en had nog net genoeg tijd om met een bajaj naar het meer te gaan. De vismarkt die hier ligt moet ’s morgens een bezienswaardigheid zijn maar lag er nu verlaten bij. Wel waren er weer veel vogels te vinden. Het hoogtepunt was echter het uitzicht en de zonsondergang vanaf de Tabour-heuvel die je in een half uur kon beklimmen vanaf de vismarkt. Daarna was het nog wel even zoeken en best ver teruglopen naar het centrum van de stad en mijn hotel bij het busstation. De volgende dag ging de wekker om 5 uur voor de bus naar Arba Minch. Het was een mooie rit door een steeds groener wordend gebied met o.a. akkers met bananen en suikerriet.

Arba Minch ligt vlakbij de Abaya- en Chamo-meren. Het stuk land ertussen wordt ook wel de Brug van God genoemd en vormt onderdeel van het Nechisar National Park. Het is een park waar o.a. zebra’s, een aantal soorten antilopen en wrattenzwijnen voorkomen. Die laatste zag ik ook rondlopen in de tuin bij het Bekele Mola-hotel. Indrukwekkende beesten met grote slagtanden. Het lukte me niet om een groep mensen te vinden om – betaalbaar – naar de krokodillen in het Chamo-meer te gaan kijken, maar ook die zou ik nog in Kenia tegenkomen. Wel kreeg ik ongevraagd bezoek van een spitting cobra in het park. Ik dwaalde wat af van de Forty springs, een mooie plek waar een aantal waterbronnen ontspringen tussen de woudreuzen. Plotseling voelde ik wat vocht sproeien op mijn hand en keek om. Toch ff (erg) schrikken als je dan zo’n slangenkop overeind ziet staan en ben snel enkele meters weggerend. Helaas kon ik even later toen ik van de schrik bekomen de slang niet meer terugvinden. Had er graag een foto van gemaakt. Ik ging denkbeeldig mijn lichaam af maar kon toch echt nergens de pijn van een beet voelen, dus geluk gehad. De bronnen bereikte ik door via een steil pad af te dalen vanaf Shecha, de toeristische wijk van Arba Minch. Eigenlijk moet je eerst vijf kilometer verderop een kaartje halen voor het park, maar de bewaker liet me er nu in voor een kleiner bedrag. Ik liep terug naar de uitgang drie kilometer verder in de hoop continue in het oerbos te blijven, maar dat viel vies tegen. Driekwart van dat stuk loop je over een zonovergoten zandpad.
Het mooiste uitzicht over de meren en het park heb je zo rond zonsondergang vanaf het Swayne’s Hotel. Hier kwam ik een groep Nederlanders tegen die op reis waren met Koning Aap. De reisleider was een wat oudere man die dit nog niet zo lang deed, dus werd geïnspireerd om mijn oude bijbaan misschien ook weer eens op te pakken. (Tussen 1998 en 2002 begeleidde ik ook een aantal (wandel)reizen in Centraal-Azië, Marokko en Zuid-Europa.) Het was gezellig en een aantal mensen was erg geïnteresseerd in mijn ideeën over landbouw en globalisering. Het werd zo laat dat het stel waarmee ik achterbleef hun diner oversloegen en het hielden bij het bier dat we overvloedig dronken, deels op rekening van de groep. Ik at om 22.00 uur nog snel een soep in het al bijna uitgestorven restaurant. Daarna in het pikkedonker op weg naar mijn hotel, bedacht ik me dat ik wel weer toe was aan een dergelijke ontmoeting met wat meer diepgang. Andere belevenissen hier waren de Engelse voetbalwedstrijden waar de mannen in ‘elk’ Afrikaans dorp of stad voor uit lopen om deze gezamenlijk in provisorische ‘bioscopen’ te bekijken. Dit weekend stond de topper Manchester City tegen stadsgenoot United op de planning. Van Persie was – al weer – de held met zijn winnende treffer in blessuretijd. Hij is dan ook met afstand de meest bekende Nederlander onder de Afrikanen die ik ontmoette.

Op een uur rijden van Arba Minch ligt het bergdorp Dorze in de Guge Mountains. Hier woont het Dorze-volk dat verwant is aan de volkeren in de Omo-vallei. Hun hutten zijn gebouwd in de vorm van een olifantenkop. Ze zijn erg hoog, maar krimpen langzaam omdat termieten van onderaf het huis opeten, inclusief de deurpost die mee de grond ‘inzakt’. Het dorp staat terecht bekend als succesvol ecotoerisme-project. Lokale gidsen verzorgen een rondtocht door het dorp waarbij allerlei ambachten getoond worden. Ook kan je slapen in een betaalbare lodge met traditionele hutten. Dat deden drie Sloveense studenten (een man en twee vrouwen) die ik had ontmoet in de bus in Arba Minch. Al snel bleek dat we ongeveer dezelfde reisplanning hadden en ik hen in de Omo-vallei opnieuw tegen zou komen en we dan hopelijk gezamenlijk transport zouden kunnen organiseren naar moeilijk bereikbare volkeren. De Dorze hebben enset (ook wel false banana genoemd) als basisvoedsel. De plant lijkt qua bladeren en lengte op een bananenboom maar in plaats van eetbare vruchten, komt het zetmeel uit de stam en de wortel van de plant. Het duurt zo’n vijf jaar voor dit geoogst kan worden. Vervolgens wordt het zetmeel geraspt en enkele weken in bladeren onder de grond begraven om te fermenteren. Het gefermenteerde zetmeel wordt vervolgens gebakken als een soort pannenkoek. Andere ambachten die we te zien kregen waren pottenbakken, spinnen en een grote textielweverij. Deze zijn deels opgezet met behulp van buitenlandse ontwikkelingshulp. Het was vandaag ook marktdag, die erg druk bezocht was. Markten zijn in dit deel van Ethiopië buiten een goede plek om levensmiddelen te kopen en verkopen vooral ook een ontmoetingsplek, waarbij veel gedronken wordt. Vooral de lokale tej (honingwijn) en het lokaal gebrouwen bier zijn hierbij populair. Vrouwen drinken hierbij traditioneel het bier met z’n tweeën tegelijk uit een kalebas. Voor de Slovenen was het ook de eerste keer dat ze qat aten, maar evenals bij mij had het weinig effect op hen. Om op tijd terug zijn in Arba Minch moest ik helaas al weer vroeg in de middag terug met de bus.

Konso deel 1; indrukwekkend
Maar even eerst wat (iets aangepaste) passages uit mijn dagboek: 11 december 22.00 uur: ‘Wat een dag. Vanmorgen bij aankomst in Konso waarschijnlijk mijn camera gestolen door een bende ‘gidsen’, waarvan ik deze later kon terugkopen voor 850 Birr (zo’n 40 Euro). Daarna tussen 11 en 20.00 uur gelopen naar dorpen in de omgeving van Konso met een erg hulpvaardige gids, die morgen met me naar de politie gaat. Daarna gegeten en uitgerust bij het restaurant van het St. Mary’s hotel. Raakte in gesprek met een vriendelijke chauffeur uit Harar en maakte wat complimenten over zijn stad en Harar-bier. Volkomen onverwacht betaalde hij mijn injera en twee bier. Bij aankomst vanmorgen in dit hotel ontmoette ik een erg vriendelijke receptioniste die toen ik naar mijn kamer ging een uur geleden, ‘toevallig’ rondliep bij mijn deur. (…) Hoe dit afloopt…’ Ik realiseerde me die dag ook dat 21 december en dus het mogelijke ‘einde van de wereld’ volgens de Maya-kalender nog tien dagen van me aflag. Bewust en/of onbewust leefde ik ook volgens die gedachte.
12 december 17.10 uur: ‘Eind goed, al goed. De dieven zijn opgepakt (twee van de vier) en hebben 450 birr terugbetaald, de Guides-association schoot de overige 400 voor. Die ze hopelijk terugkrijgen via de politie die het geld van de dieven zullen krijgen. Ik stelde een dwangsom van 100 birr voor, voor elke dag die ze te laat zijn na morgen. Hopelijk volgen ze dit advies op, ze moesten er in ieder geval om lachen. Maar wat een volk die Konso, zo hulpvaardig als die gidsen zijn. Een aantal van hen en iemand van het toeristenbureau hebben me de hele dag begeleid. Eerst naar dit toeristenbureau die een verklaring opstelde. Daarna gingen we naar het politiebureau, terwijl twee andere gidsen op zoek naar de dieven gingen. Toevallig stond de hoofddader die in het verleden al meer gestolen heeft, bij een net gearriveerde bus uit Arba Minch om nieuwe slachtoffers te zoeken. Een gids maakte de politie daarop attent waarna hij werd opgepakt. Samen stelden we vervolgens een verklaring bij de politie op. Niemand geloofde zijn verhaal dat ik de camera verloren was, maar wel dat hij hem uit mijn tas gestolen had en daarna aan een vriend gegeven had. Ze konden daarna de hulpvaardige helpers spelen en zo mij de camera ‘duur’ laten terugkopen. Ik herinner me het vreselijke gevoel van verlies gisteren om 10.30 uur toen ik na drie keer al mijn tassen checken echt door had dat ik hem kwijt was. Alle foto’s van Arba Minch en op weg naar Konso weg en geen mogelijkheid meer om op korte afstand foto’s te maken. En dit net nu ik pas op de helft van mijn reis was. Inderdaad had ik er die 500 birr voor over die ik aan de vinder beloofde, en was ‘blij’ dat ik hem voor 850 terug had. Het verlies zou immers onbetaalbaar zijn.’

Nog even iets meer over Konso. De stad Konso heet eigenlijk Karate en is de hoofdstad van een gebied waarin het Konso-volk woont. Het zijn boeren die vele gewassen in wisselteelt telen en hierbij terrassen gebruiken. Belangrijke gewassen zijn soja, mais, cassave, zoete aardappelen, tarwe, gerst, suikerriet, zonnebloemen en koffie. Ook leggen ze stenen waterbassins aan om water voor droge tijden op te slaan. Die wordt ook gebruikt om hun vee te laten drinken. De traditionele dorpen worden omringd door stenen muren en elk huis wordt omringd door een houten omheining. Via een tunnel kun je de binnenplaatsen betreden. Daarbij heeft elke dorp verschillende gemeenschapshuizen waar de puberjongens verblijven. Opvallend zijn verder de generatie-palen, elke 18 jaar wordt er een nieuwe paal bij de oude palen geplaatst die een leeftijdsgroep vertegenwoordigen. Dode leiders en hun vrouwen worden vereerd via waga’s, houtsnijwerken. Helaas werden deze veelvuldig gestolen om aan toeristen te verkopen. Wel kun je ze nog vinden in het dorp Gesergio en in het Konso-museum twee kilometer buiten de stad.
De eerste dag bezocht ik met mijn gids Taswai de dorpen Gesergio en Machekie. Om de kosten voor een motorbike uit te sparen besloten we te lopen. Ik was misschien wat te optimistisch over het aantal uren dat we nodig hadden. Gesergio ligt zo’n vier uur van de stad en staat verder bekend om de hoge zandsculpturen die door erosie zijn ontstaan. Het wordt daarom ook wel ‘New York’ genoemd. Taswai is in dit dorp geboren en we werden uitgenodigd om een aantal bier te drinken met de dorpelingen. Het wordt sjaka genoemd en geserveerd in kalebassen. Het bevat naast warm bier ook de mais- en sorghum-resten waar het van gemaakt is, dus eten en drinken in één. Het was erg gezellig maar daardoor bleven wat langer dan gepland. Machekie bereikten we dan ook pas net voor zonsondergang. Ook dit is een prachtig dorp boven op een heuveltop, maar we moesten hier vrij snel doorheen om niet te lang in het donker te hoeven teruglopen. Uiteindelijk liepen we toch nog zo’n twee uur in het donker, wat niet altijd meeviel vanwege de onverharde weg bestaande uit grind en soms rotsen. Bij de verharde weg aangekomen kregen we gelukkig al snel een lift van een brommertaxi. Taswai was ook degene die me op het idee bracht dat mijn camera niet gevonden was maar gestolen, nadat ik de mannen had beschreven. Hij bood me meteen zijn hulp aan en dat van zijn collega’s, want zij waren deze mannen spuugzat. Eerder was hij al eens bekogeld met stenen door hen toen hij zag dat ze Japanse meiden een commissie bij een hotel afhandig probeerden te maken. Dezelfde truc hadden ze ook bij mij proberen uit te halen. De volgende dag bestond dus vooral uit het bezoeken van het kantoor van de gidsen, een regionale overheidsinstelling, de politie en de rechtbank. Mijn planning was nog steeds om naar Kenia te gaan via de Omo-vallei en het Turkana-meer, dus dan zou ik hier niet meer terugkomen. Vandaar dat ik zo blij was met de hulpvaardige gidsen, die zelfs het geld teruggaven wat de dieven waarschijnlijk al opgedronken hadden, en me niet konden teruggeven.

De Zuidelijke Omo-vallei

Hoog op het lijstje van te bezoeken plaatsen in Ethiopië stond de Omo-vallei. Ik zou alleen naar de oostzijde van de Omo-rivier gaan. Zowel aan de oost- als westzijde wonen verschillende inheemse volkeren die sterk aan hun traditionele manier van levensonderhoud en cultuur vasthouden. Dit uit zich ook in hun klederdracht en lichaamsversiering. Dit komt ten dele omdat het gebied jarenlang zeer slecht bereikbaar was. Het gebied ligt in het uiterste zuidwesten aan de grens met Kenia en Zuid-Soedan. Maar de afgelopen jaren zijn veel toegangswegen geasfalteerd of verhard. Het voordeel hiervan was dat ik het gebied ook vrij gemakkelijk met bussen en minibussen kon bereiken. Hierdoor kon ik de prijs laag houden. De meeste toeristen komen echter met tourgroepen in 4 wheel drives, vanuit Addis Ababa of Arba Minch waarbij ze zo’n 120 dollar per dag betalen. Het nadeel van deze verbeterde wegen is echter dat ze het gebied ontsluiten voor toekomstige grootschalige landbouw, mijnbouw en oliewinning. Het is dus maar de vraag hoe lang deze volkeren hun traditionele levensonderhoud nog kunnen uitoefenen. Enkele volkeren worden nu al ernstig in hun voortbestaan bedreigd, waarbij de Ethiopische overheid en het leger een negatieve hoofdrol speelt. In Jinka zou ik hier veel meer over horen.

Met behulp van de Lonely Planet had ik reisplanning gemaakt op basis van de marktdagen in de verschillende dorpen. Het eerste dorp dat ik bezocht was Key Afar, waar het elke donderdag marktdag is. In de busreis er naar toe pikten we al de eerste Tsemay-man op. Een trotse man met een hoofdband van blauwe en rode kralen, halskettingen, mooie armbanden en oorbellen en een lendendoek. Hij had een T-shirt aan maar vele anderen hebben hun bovenlijf ontbloot. De enige bagage die de meeste mannen in de Omo-vallei bij zich hebben is een houten hoofdsteun, die ook als stoel gebruikt kan worden. Hoewel ik al heel wat van de wereld gezien heb, blijft het bijzonder om weer iemand te ontmoeten die zich niets aan trekt van westerse kledingvoorschriften. In Key Afar ontmoette ik de drie Slovenen bij het Nasa-hotel. Helaas was het al vol, maar de Slovenen boden mij een tent aan die ze nog over hadden en die ik op het grasveld bij het hotel kon plaatsen. Ook in Key Afar was weer een kantoor met gidsen die al kennis met de Slovenen hadden gemaakt en hen iets van het dorp hadden laten zien. De volgende dag zou er volgens hen een Bull Jumping-ceremonie zijn, maar als ik er ook heen wilde moest ik een aparte gids nemen. Mijn argwaan groeide verder toen één van de gidsen mij vroeg entreegeld voor de markt te betalen. Ik weigerde dit totdat ik de Slovenen hierover gesproken zou hebben. Hen vond ik niet zo snel op de markt, maar wel een Pool die niets wist van entrees. Genoeg reden om me aan mijn planning te houden en de volgende dag naar Jinka te gaan. De markt in Key Afar wordt vooral bezocht door de Banna en de Tsemay die in nabij gelegen dorpen wonen. De Banna-mannen zijn te herkennen aan hun zwarte-rode haarbanden. Hun vrouwen aan de rasta-achtig gekrulde haren die ze evenals Hamer-vrouwen soms rood kleuren. Op de markt zijn ook westers geklede Ethiopiërs die voedsel en gebruiksvoorwerpen aan deze volkeren verkopen. De markt is ook hier weer vooral ook een ontmoetingsplaats en ‘uitgaansgelegenheid’. Er werd volop gedronken op drukbezochte binnenplaatsen.

Zaterdag zou de grote markt in Jinka zijn, maar ik besloot vrijdags al te gaan. Ik wou namelijk nog wat onderzoek doen naar de ‘landgrab’ door de Ethiopische overheid en buitenlandse investeerders. In dit gebied gaat het vooral om de aanleg van suikerrietplantages waarvoor volkeren moeten wijken. Ik hoopte hierover Douglas Burji (schuilnaam) een Engelssprekende vertegenwoordiger van één van de bedreigde volkeren te spreken. Ook hoorde ik dat er in de buurt van Jinka een suikerfabriek in aanbouw is, deze wilde ik fotograferen. Daarbij ligt 8 kilometer buiten Jinka het dorp Yetnebarsh een dorp van het Ari-volk dat ik ’s middags bezocht. De heenweg nam ik een brommertaxi. We werden halverwege aangehouden om 2,5 euro entree te betalen, maar gelukkig hoefde ik na wat onderhandelen de aangeboden gids niet mee te nemen. De Ari is één van de grootste inheemse bevolkingsgroepen in deze regio. Dit dorp ligt in een erg groen heuvelachtig terrein waar voldoende regen valt om voedsel te kunnen verbouwen, daarnaast houden ze vee. Ze dragen over het algemeen westerse kledij. In het dorp werd ik al snel uitgenodigd om areke mee te drinken. Dit is een lokaal gebrouwen alcoholische drank, waardoor ik lichtelijk aangeschoten raakte. Het maakte het contact met de dorpelingen een stuk leuker. Ik kwam allerlei verschillende ambachten tegen zoals potten bakken, injera en oliebollen bakken en het vervaardigen van meubels. Tegen betaling – ook van een spontaan opgedoken ‘gids’ – kon ik wat foto’s hiervan maken. Opvallend veel leraren vroegen om hun school te sponsoren. Laat in de middag was er ook een grote markt in het centrum van het dorp. Ik hoopte vervolgens Jinka lopend te bereiken voor het donker werd, maar dat viel tegen. De laatste 3 km toch maar een brommertaxi genomen.

Zaterdags eerst naar het zeer interessante South-Omo museum en Research Centre, te bereiken via een steile klim net buiten Jinka. Hier zijn vele gebruiksvoorwerpen, kledingstukken en foto’s te vinden van de verschillende volkeren. Het gebied staat al decennialang in de belangstelling van antropologen en vooral veel Europese vrouwen hebben hier voor langere tijd onderzoek gedaan. Er zijn ook video’s te zien en goed betaalbare kledingstukken en gebruiksvoorwerpen te koop. Vervolgens naar de drukbezochte markt waar vooral de Ari op afkomen. Maar ik kwam hier ook de eerste Mursi tegen. Dit is het meest fotogenieke volk in de vallei, omdat een groot aantal van de Mursi-vrouwen grote cirkelvormige stenen of houten platen in hun onderlip dragen. Daarbij versieren zowel mannen als vrouwen en mannen hun lichamen met figuren die ontstaan door zich te snijden en speciale stoffen in de wonden te strooien waardoor een ontstekingsreactie ontstaat die vervolgens genezen.

Alle tourgroepen die naar Jinka komen maken dan ook een tocht per 4 Wheel Drive naar Mursi-dorpen. Het heeft er toe geleid dat het bezoeken van zo’n dorp op een dierentuinbezoek begint te lijken. De Mursi vragen zo’n 0,30 euro per foto of zo’n 0,50 euro voor twee of drie foto’s. Ze gaan hierbij vrij agressief te werk. De vrouwen versieren zich ook met allerlei voorwerpen om zo maar de aandacht te trekken van de toeristen. Deze horen echter niet bij de oorspronkelijke klederdracht. Tja, hoe hier zo respectvol mee om te gaan? Op vrijdag had ik al een Australiër ontmoet die totaal gefrustreerd teruggekomen was van een bezoek aan drie Mursi-dorpen. Hierbij had hij erg weinig mensen ontmoet die alleen geïnteresseerd waren in zijn fotogeld. Francois, een Fransman die al vele keren hier was geweest en ook gespecialiseerde reizen naar het Hamer-volk leidde, zei dat 99% van de toeristen gefrustreerd terug kwam van zo’n tour. Maar ja de Slovenen en ik wilden de volkeren toch zien. We hadden afgesproken dat we op zondag een tour zouden proberen te boeken. Gelukkig was Douglas Burji in Jinka en tijdens een eerste gesprek raadde hij me aan ook naar het Bodi-volk te gaan. Deze krijgen tot nu toe veel minder toeristen op bezoek en gaan daardoor ook relaxter om met de bezoekers. Het leidt tot een meer gelijkwaardige ontmoeting. Het lukte ons om na een aantal onderhandelingen een tour naar een Mursi- en Bodi-dorp te boeken voor zo’n $50 per persoon, dit was inclusief auto, gids, begeleidende soldaat en de entrees voor het Mago National Park en de entrees van de dorpen. In dit park liepen enkele decennia geleden nog leeuwen, luipaarden, buffels, olifanten en giraffen rond. Maar bij de oprichting van het park werden de Mursi deels verjaagd uit hun leefgebied en mochten ze niet meer jagen. Ook profiteerden ze nagenoeg niet van de opbrengsten ervan. Het leidde er toe dat ze veel meer gingen stropen en dat alle genoemde dieren hier niet meer voorkomen. Wel zagen we dik diks (een antiloop ter grootte van een haas) en parel-hoenders. Opmerkelijk was verder dat er weinig oerbos over was en dat de wegen werden verbreed met het oog op de suikerplantages aan de Omo-rivier, die momenteel worden aangelegd. Een dag eerder hoorde ik van Douglas dat zelfs een deel dit park en een groot deel van het Omo National Park aan de westzijde van de rivier, zouden worden ontgonnen voor deze plantages. De volkeren zoals de Mursi, Bodi en Suri worden op dit moment al verdreven van hun grondgebied. De gids zat er verder niet zo mee, hoewel het ook betekent dat zijn levensonderhoud in gevaar is. De stemming zakte helemaal naar een dieptepunt toen hij me zei dat hij de entree voor het Bodi-dorp al had betaald aan de hoofdman. We zouden dit namelijk zelf overhandigen en vertrouwde niet dat hij het hele afgesproken bedrag aan hem had gegeven. Ik kon me niet echt verstaanbaar maken aan hen dus probeerde met vier vingers te vragen of ze geld hadden gehad. Ze leken het te bevestigen, en het op aandringen van de Slovenen liet ik het verder maar bij zitten.

Het bezoek aan de Bodi was inderdaad het hoogtepunt van de dag. Ze leven iets verder naar het Noorden in het nationale park wat daar overigens zo’n 1.000 meter lager ligt dan Jinka. De bossen hebben hier plaats gemaakt voor een savanne met bomen. Zij leven even als de Mursi vooral van de extensieve veeteelt en kleinschalige landbouw. Het vee kan onder andere drinken bij de verder weggelegen Omo-rivier, waar de Mursi en Bodi ook hun akkers hebben. Het was bloedheet en verder trekken de dieren en dierlijke producten vele vliegen aan. Niet een plek waar ik het gemakkelijk uren vol zou kunnen houden. De mannen zaten op een heuvel onder een boom, dus door de lichte wind was het hier wel prettig vertoeven. De vrouwen waren bezig met het malen van mais en verder hadden we veel belangstelling van de jongens van een jaar of tien. We betaalden wel voor onze foto’s maar ze waren hier verder niet nadrukkelijk op uit. Ze leven in ronde hutten gemaakt van plantaardig materiaal, maar er is ook een betonnen school. We bleven ongeveer een uur. Vanuit dit dorp liften we op een vrachtauto terug naar het Mursi-dorp wat een kilometer of vijftien terug naar het zuiden lag. Onze auto had namelijk al twee platte banden gehad en de chauffeur moest eerst een band repareren in een stad verderop. Het werd zoals verwacht inderdaad een kermis in het Mursi-dorp. Op aandringen van de Slovenen hadden we eerst rustig kennis gemaakt met de mannen, maar na een minuut of vijftien werden ze ongedurig. De gids werd ondertussen wat opgefokt en waarschuwde ons dat we problemen zouden krijgen als we niet zouden opschieten met het maken van foto’s. Ze zouden volgens hem steeds meer dronken worden. Ik zag ze geen alcohol drinken overigens. De vrouwen hadden zich inderdaad uitgedost met de vreemdste voorwerpen en smeekten bijna om gefotografeerd te worden. We hadden echter maar beperkt klein geld en konden niet iedereen tevreden stellen. Een erg ongemakkelijke situatie, want natuurlijk wilden wij ook zo mooi mogelijke foto’s maken. Voor dat benodigde klein geld was ik overigens al weken biljetten van 1 en 5 birr aan het sparen, maar toch vliegen die er binnen korte tijd uit. De mannen waren gelukkig een stuk relaxter, maar wilden ook per foto worden afgerekend. Na een half uur waren we al weer weg in onze oorspronkelijke auto, die echter na een paar een kilometer zijn derde lekke band kreeg. Nu kwamen we (de mannen) achter in een pick-up terecht met een afsluitbare bovenklep die maar gedeeltelijk open kon. We konden dus niet staan, maar lagen achter in zo’n anderhalf uur stof te happen. We reden namelijk de hele dag over onverharde wegen. Het werd een helse rit en was blij toen we er eindelijk waren. ’s Avonds nog foto’s gekopieerd op mijn USB-stick tot een power cut de hele stad in het donker legde. Gelukkig had de fotozaak een generator.

Gewelddadige ontruiming van dorpen voor suikerrietplantages

Dan moet ik nog even terugkomen op een tweede gesprek met Douglas Burji dat ik een avond eerder had. Uit veiligheidsoverwegingen vond dat op mijn kamer plaats. Hij zei namelijk dat de overheid in het gehele gebied spionnen had gestationeerd. Dus iedere gids of schoenenpoetser zou een informant kunnen zijn. Hij vroeg zich ook af wie er in de kamers langs mijn kamer verbleven en of ze thuis waren. Het leek erop dat minstens een man aanwezig was, dus moesten we zachtjes praten. Het was me al duidelijk geworden dat westerlingen absoluut niet zouden worden toegelaten tot het gebied waar momenteel de dorpen worden ontruimd en de suikerplantages worden aangelegd. Maar ik was enorm positief verrast dat Douglas ook op de hoogte was van alle plannen voor het gehele gebied. Op mijn kaart tekende hij het geplande gebied in waar plantages zouden worden aangelegd en waar de suikerrietfabrieken waren gepland. Ook gaf hij aan welke inheemse volkeren hierbij hun land kwijt zouden raken de komende vijf jaar. Het was schokkend: grote delen van nationale parken aan de Omo en de leefgebieden van zes inheemse volkeren zouden worden beplant met suikerriet, ook zouden er zes fabrieken worden aangelegd waarvan er één in aanbouw is bij Hana Mursi, niet ver van het Bodi-dorp dat we bezochten. Om de akkers te bevloeien worden er dammen in de Omo-rivier en irrigatiekanalen aangelegd. Zie voor een artikel vanuit het Mursi-standpunt: http://www.mursi.org/change-and-development/large-scale-irrigation en voor foto’s en een artikel vanuit het perspectief van de Eth. overheid http://www.facebook.com/etsugar/photos_stream en http://addisfortune.com/Vol_10_No_582_Archive/Omo%20Kuraz%20Sugar%20Factories%20Project%20Kicks%20Off.htm .

Later las ik een artikel van the Ethiopian Sugar Corporation. Zie: https://www.facebook.com/notes/ethiopian-sugar-corporation/ethiopia-zooming-in-to-sugar-self-sufficiency/456947977699941 Men wil als land in 2015 bij de top 10 van suikerexporteurs in de wereld behoren terwijl men nu nog niet eens zelfvoorzienend is. De overheid zal hiervoor o.a. gebruik maken van Indiase suikerbedrijven die het in beslag genomen land voor zeer lage bedragen langjarig kunnen leasen. Men heeft in Addis Ababa besloten dat deze volkeren hun ‘achterlijke nomadische levensstijl’ moeten opgeven en mee moeten in de vaart der volkeren. Dus worden ze gedwongen om in grote dorpen te gaan wonen (het zogenaamde vilagization-programma), hun vee te verkopen en eventueel als arbeider op de plantages of in de fabrieken aan de slag te gaan. Er zullen scholen worden gebouwd en men krijgt hier zo nodig voedselhulp. Maar als de productie van suiker op dezelfde manier in zijn werk gaat als in het Afar-gebied (zie vorige reisverslag) zal dit betekenen dat er vooral Indiërs zullen komen werken in dit gebied, en er weinig nieuwe werkgelegenheid voor de ex-nomaden zal ontstaan.

Op dit moment worden de Bodi-dorpen aan de Oost-oever al ontruimd, daarna zijn vanaf begin dit jaar de Mursi aan de beurt. Later zullen aan de oostkant de Daasanach, Kwegu en waarschijnlijk de Karo hun huidige grondgebied (deels) verliezen. Aan de West-oever wacht de Suri en Nyangatom hetzelfde lot. Hoewel volgens het VN-verdrag voor inheemse volkeren deze volkeren alleen van hun grond mogen worden verplaatst als zij hier toestemming voor geven, is er geen sprake van inspraak. Tijdens bijeenkomsten worden ze slechts geïnformeerd over de plannen. Zie hun uitgesproken trieste gezichten tijdens zo’n PR-bijeenkomst: http://www.facebook.com/etsugar/photos_stream Ook worden dorpelingen geïntimideerd via fysiek geweld door leger en politie en worden de leiders zonder reden gearresteerd en gevangen gezet voor tientallen jaren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van valse getuigenissen. De bulldozers verschijnen vervolgens compleet onverwacht.

De Suri (ook wel Surma genoemd) hebben zo bleek later ook al veel last van ontruimingen om grootschalige goudwinning mogelijk te maken. Hierbij zijn in oktober 2012 de dorpen Cholowamale en Garsana uitgemoord door het Ethiopische leger. Hierbij kwamen in totaal 179 mannen, vrouwen en kinderen om. Douglas zond me hierover een email begin januari, wat ik breed verspreide naar de internationale en nationale media. Er is overigens nog steeds enige onduidelijkheid over de datum, Douglas sprak over 28 december later bleek dat 4 oktober meer waarschijnlijk is. Zie ook: http://ireport.cnn.com/docs/DOC-907872
In de aanloop naar die massamoord vonden er vorig jaar al meerdere moordpartijen plaats, zie: http://indigenouspeoplesissues.com/index.php?option=com_content&view=article&id=17317:ethiopia-catalog-of-events-leading-up-to-massacre-of-suri-people-in-october-2012&catid=25:africa-indigenous-peoples&Itemid=58
en: http://www.friendsoflaketurkana.org/folt-news/2011-09-28-10-41-34/archive/view/listid-1-mailing_list/mailid-11-press-release-ethiopia-forcefully-evicting-omo-tribes-for-sugar-plantations

Helaas is hier tot op de dag van vandaag vrijwel niet over gepubliceerd. In januari in Nairobi sprak ik NRC- en Radio 1-correspondent Koert Lindijer hierover. Hij had navraag gedaan bij bevriende correspondenten in Addis Ababa. Zij wisten wel ongeveer van deze problemen, maar niemand had tot nu toe de berichten in het gebied kunnen verifiëren. In overleg met de hoofdredactie van NRC besloten ook zij nog niet te publiceren. Misschien komt hij later dit jaar met een verhaal, als hij het gebied bezocht heeft. Wel publiceerden organisaties als the Oakland Institute, Survival International en de Friends of Lake Turkana op hun websites over de problemen rond de aanleg van de plantages en de bouw van de Gibe III-dam. Niet alleen de volkeren in de Omo-vallei zullen de nadelen ondervinden maar ook de nomadische volkeren die in Kenia rond het Turkana-meer leven. Het gaat dan om onder andere de Turkana, Rendille en Samburu. De Omo zorgt namelijk voor zo’n 80% van de watertoevoer van dit grote meer. Er wordt al gewaarschuwd voor een Aral-meer-achtige catastrofe en dit terwijl zowel Lake Turkana als de zuidelijke Omo-vallei zijn uitgeroepen tot World Heritage Sides door de Unesco.

Zie voor meer interessante artikelen, brochures en video’s:
• Video and pdf-file - Lower Omo: Local Tribes Under Threat
Zie: http://www.oaklandinstitute.org/video-lower-omo-local-tribes-under-threat
• Land grabs in Ethiopia leave tribes hungry on World Food Day
See: http://www.survivalinternational.org/news/8751
• Ethiopian Dam and Irrigation Projects Threaten to Turn Kenya’s Lake Turkana into “East Africa’s Aral Sea”
See: http://www.friendsoflaketurkana.org/folt-news/item/222-ethiopian-dam-and-irrigation-projects-threaten-to-turn-kenya%E2%80%99s-lake-turkana-into-%E2%80%9Ceast-africa%E2%80%99s-aral-sea%E2%80%9D
• OMO: Local tribes under threath – A field report from the Omo valley, Ethiopa, feb. 2013 http://www.oaklandinstitute.org/sites/oaklandinstitute.org/files/OI_Report_Omo_Ethiopia.pdf
• Ethiopia: Pastoralists Forced off Their Land for Sugar Plantations - Government Should Consult, Compensate Indigenous Communities, 18 juni 2012
Zie: http://www.hrw.org/news/2012/06/18/ethiopia-pastoralists-forced-their-land-sugar-plantations
• Ethiopia 'forcibly displacing' for sugar plantations, 18 juni 2012,
Zie: http://www.bbc.co.uk/news/world-africa-18462041
• Ethiopia responds to UNESCO's World Heritage Committee on Lake Turkana, zie: http://www.mursi.org/news-items/ethiopia-responds-to-unescos-world-heritage-committee-on-lake-turkana
• Goede publicatie over landgrab in het algemeen: Understanding Land Investment Deals in Africa - Country Report: Ethiopia, 2012 Zie: http://www.oaklandinstitute.org/sites/oaklandinstitute.org/files/OI_Ethiopa_Land_Investment_report.pdf
• Kort overzicht en foto’s van de landgrab in Ethiopië: http://www.terraproject.net/en/collective-works/land-inc/ethiopia

Zeer teleurstellend was de reactie van een medewerker van een Belgische ambassade die ik een paar dagen na het interview met Douglas sprak in de Omo-vallei. Hij zei dat westerse druk op de Ethiopische overheid waarschijnlijk weinig zou uithalen. In het verleden heeft men tegen kritische westerse donoren schijnbaar gezegd dat men hun geld niet nodig had als men te kritisch werd. Ethiopië is nu een donor darling en krijgt onder andere veel geld voor hun sociale programma’s, waar ook genoemde vilagization-programma onder valt. Nederland hoort bij de top vijf van donoren aan Ethiopië, dus met onze hulp werkt indirect mee aan deze gewelddadige ontruimingen. Zie ook de stuitend enthousiaste minister Ploumen – op bezoek in Ethiopië – over de zegeningen van handel die één miljard bezuinigingen op ontwikkelingshulp moet maskeren. http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2824/Politiek/article/detail/3402385/2013/03/02/Lilianne-Ploumen-Ontwikkelingshulp-zal-verdwijnen.dhtml

De Belg beloofde contact op te nemen met Douglas over de mensenrechtenschendingen zoals het ongegrond oppakken van mensen, maar liet tot nu toe niets van zich horen. Ik mocht hem overigens niet citeren in een mogelijk artikel. De afgelopen maanden heb ik geprobeerd een artikel over deze misstanden in een tijdschrift te publiceren maar dat is helaas nog niet gelukt. Erg frustrerend! Het ziet er naar uit dat ik het wel mag publiceren op de sites van Vice Versa en FIAN. Verder is het goed nieuws dat XminY Solidariteitsfonds een project van Douglas Burji positief heeft gehonoreerd. Hij zal de komende maanden in het geheim de misstanden in het gebied gaan vastleggen op film. Ik maak me grote zorgen over zijn veiligheid, maar hopelijk lukt het hem deze film tot een goed einde te brengen. Zijn hoop is dat als deze beelden het Westen bereiken er wel voldoende protest los komt vanuit de internationale gemeenschap om de plannen van de Ethiopische overheid en de buitenlandse investeerders, te stoppen. Ook heb ik contacten met enkele gevluchte Ethiopiërs die in Nederland wonen, we zullen ook van hieruit proberen deze grove misstanden een halt toe te roepen. De SP Tweede Kamerfractie zal binnenkort kamervragen over deze kwestie stellen aan minister Ploumen en wil hierop antwoorden voor 15 april. Op die dag is er een notaoverleg over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking. Wordt vervolgd…

Turmi en Dimeka: het gastvrije Hamer-volk

Bij voldoende busvervoer hoopten de Slovenen en ik van Jinka naar Turmi te komen, waar ’s maandags de wekelijkse marktdag wordt gehouden. Tot halverwege in Key Afar ging dit zonder problemen. Maar hier hoorden we dat als we verder wilden we een minibus moesten afhuren voor ruim 10 euro per persoon. We vonden dit te veel en hoopten op een Isuzu-truck, het vervoermiddel van de lokale bevolking. Onder druk van touroperators in Addis Ababa was er was echter een verbod ingesteld om westerlingen mee te nemen. Chauffeurs die zich hier niet aan hielden kunnen een boete van 90 euro boete per vervoerde persoon tegemoet zien. Na een uur of drie wachten en onderhandelen konden we uiteindelijk mee voor zo’n 9 euro. Natuurlijk waren we niet de enigen die mee wilden, de hele bus stroomde vol met lokale mensen. We zouden eigenlijk naar Dimeka gaan dat dichterbij lag en waar de volgende dag markt zou zijn. Maar op mijn verzoek reed de chauffeur eerst naar Turmi, waar we nog enkele uren de markt konden bezichtigen, om vervolgens weer met een volle minibus terug te keren. Zo had hij ook wat extra bijverdiensten. De markt liep al op zijn einde maar het was zeker de moeite waard. De Hamer zijn veel relaxter dan de Mursi, maar ook hier wordt een betaling per foto verwacht. Ook zijn er evenals in Key Afar allerlei souvenirs te koop. Ik kocht o.a. een geitenvellen borstlap en wat armbanden. Elke volk heeft weer zijn aparte vorm hiervan. Ook liep er een Karo-man rond waarvan ik een halsketting kocht met behulp van een Hamer-gids. De volgende dag was hij over zijn hele lichaam beschilderd op de markt in Dimeka (zie foto). In Dimeka kwamen we terecht in het Hem-hotel dat naast het al vol bezette National Tourist Hotel ligt. Het is het meest basic hotel in Ethiopië dat ik gezien heb: stroom van 19 tot 21.45 uur, geen stromend water en een gat in de grond als WC. Maar wat wil je voor 3,5 Euro? Gelukkig was de bord spaghetti goed te eten. Mijn laatste warme douche had ik overigens in Addis Ababa gehad en in elk dorp in de Omo-vallei was er slechts tijdelijk stroom of een stroomstoring. De generator die vlakbij ons stond loeide overigens nog door tot 23.30 uur voor de hotelgasten bij de buren. Tja, wel de lasten en niet de lusten, maar gelukkig had ik nog wat kaarsen om in het dagboek te kunnen schrijven.

De volgende dag kreeg ik opeens het idee dat ik met de bus naar Omorate zou gaan, omdat hier maar twee maal per week een bus naar toe gaat en ik wel genoeg markten had gezien. Ik wou de Omo-rivier ook in levende lijve gezien hebben en dat kon alleen daar met openbaar vervoer. Er ging echter weer het gerucht over een bull jumping ceremony die deze dag gehouden zou worden. De lokale gidsen verzekerden me dat er de volgende dag nog een bus zou rijden, dus op het laatste moment besloot ik toch te blijven. Ik kreeg er geen spijt van. Vervolgens de omgeving maar eens verkend. Net buiten het dorp ligt een rivier die nagenoeg droogstond. De Hamer die op weg waren naar de markt wasten zich hier in poeltjes die ze soms eerst met de hand moesten uitgraven. Zo’n dertig centimeter onder de oppervlakte bevond zich namelijk grondwater. Ook kwam ik in een klein gehucht terecht waar ik tegen betaling de hutten mocht bezichtigen en fotograferen. Naast het hoeden van vee telen de Hamer ook op kleine schaal mais binnen door doornige struiken afgezette percelen. Verder telen de 50.000 Hamer sorghum, groenten, gierst, tabak en katoen. De vrouwen dragen evenals de Banna een reggae achtig kapsel dat ze rood kleuren, verder dragen ze een rok en borstlap van geitenleer versierd met schelpen en kralen. Verloofde en getrouwde vrouwen dragen een zware ijzeren halsband. Ongetrouwde vrouwen dragen een metalen schijf in hun haren. De mannen dragen vooral groen-rood-zwarte haarbanden en een lendendoek. Verder versieren ze zich met halskettingen, armbanden en oorbellen. Het volk leeft in een droog gebied ver van de Omo-rivier dus zij hebben vooralsnog niets te duchten van de irrigatieprojecten voor grootschalige teelt van exportgewassen.

De bull jumping ceremony, het hoogtepunt van de reis

De bull jumping ceremony ging vandaag echt door en zo rond 14.00 uur liepen we met onze gidsen naar een gehucht vlakbij Dimeka. De prijs per persoon was zo’n 20 euro, die geheel naar het Hamer-volk zou gaan volgens de gidsen. Van de eerder genoemde Fransman hoorde ik later in Nairobi, dat de gidsen waarschijnlijk zo’n driekwart hiervan in hun eigen zak steken. Groot voordeel was dat we ‘onbeperkt’ foto’s mochten maken, natuurlijk wel met respect voor de Hamer en hun ceremonie. Naast de Slovenen en ik was er een Belgisch stel aanwezig met hun Ethiopische chauffeur. De bull jumping ceremony is een initiatieritueel waarbij één man, door vier keer over een rij stieren en koeien te lopen, aantoont geschikt te zijn om te trouwen en kinderen te krijgen. Het bestond uit een aantal onderdelen.
Eerst werd er gedanst en gezongen door zijn vrouwelijke familieleden. Na verloop van tijd kwamen de maza uit de bosjes te voorschijn. Dit zijn jonge mannen met hanenveren op hun hoofd en een aantal twijgen. Deze waren bedoeld om per twijg één zweepslag uit te voeren. De dansende vrouwen daagden de jongens uit en vroegen hen daarbij om geslagen te worden op hun rug. De vrouwen tonen daarmee hun liefde voor hun familielid aan, en laten ook hun incasseringsvermogen aan de rest van het dorp zien. Het is namelijk de bedoeling dat ze de zweepslag onverstoorbaar ontvangen en geen kick geven. Sommige vrouwen ontvingen er desgevraagd wel tien gedurende de ceremonie, en hun ruggen zagen rood van het bloed. Het laat grote littekens achter. Het deed me denken aan het begrafenisritueel bij de Tana Toraja op Sulawesi (2003), waarbij destijds twaalf waterbuffels en een aantal varkens geofferd werden. Ik raakte even als toen in een soort ‘fotografen-trance’ van drie uur, waarbij ik emoties uitschakelde en het gebeuren alleen maar zo goed mogelijk wou vastleggen. De Belgen deden dat ook maar bij de Slovenen beperkte één vrouw zich tot het maken van foto’s en een ander maakten af en toe videobeelden. Zij lieten zich evenals een aantal Hamer-mannen en vrouwen ook schilderen op hun gezicht. De verf ontstond door rode en witte stenen over een grote steen te schuren en hier water aan toe te voegen. Vervolgens werd er koffie gekookt en door het ‘feestvarken’ geserveerd uit een grote kalebas. Er waren inmiddels zo’n honderd toeschouwers waaronder ook ‘gewone’ Ethiopiërs uit het dorp. Familie en vrienden gingen onder een afdak van bladeren en takken zitten en keken toe hoe de vrouwen onvermoeibaar door dansten en zongen. Af en toe werd er een jonge man met zweep uitgedaagd om op
te staan en zijn werk te doen.

De plek waar de bull jumping zou plaatsvinden lag op zo’n drie kilometer verder aan de andere kant van de rivier, toevallig de plek waar ik ’s morgens ook al geweest was. In een grote stoet liepen we er naar toe samen met zo’n twintig koeien en stieren. Daar aangekomen werd er - na een lang overleg tussen de dorpelingen - eerst een vruchtbaarheidsritueel uitgevoerd. De man moest omringd door andere mannen en een jongen die hem begeleidde armbanden en plantaardige ringen over een houten penis schuiven. Vervolgens koos hij de dieren uit waarover hij zou gaan lopen. Die werden hardhandig gevangen en in een rij geplaatst, waarbij elk dier werd vastgehouden door twee of drie mannen. Het was al bijna donker toen het tijd was voor de climax. De eerste keer dat hij over de runderen liep ging het al fout; hij viel halverwege. Wat hem op een honend gelach van de toeschouwers kwam te staan. Het gebeurde hem nog een paar keer maar ondertussen had hij ook een aantal geslaagde pogingen ondernomen. Na de vierde keer barste er een groot gejuich uit en werd hij gefeliciteerd. Voor ons tijd om terug naar huis te gaan. Het feest zou ’s avonds worden voortgezet in het dorp waar we vanaf kwamen. Tegen extra betaling hadden we daar ook naar toe gekund. Maar ondertussen had ik met de Belgen afgesproken dat ik een lift naar Turmi zou krijgen en de volgende dag met hen mee door zou rijden naar Omorate. Er volgde nog een mooi afscheid met de Slovenen die de volgende dag ook het gebied zouden verlaten. Bij het hotel waren ze niet blij (check out time was immers voorbij), en zij wilden het volle bedrag voor de nacht vangen. Dit leidde tot een discussie op straat, maar onder druk van de steeds verder rijdende jeep van de Belgen, kon ik volstaan met de helft. Het was een memorabele dag en was blij dat de gidsen me overgehaald hadden om te blijven.

Omorate, kort maar krachtig

Midden in een stortbui reden we vervolgens door het donker naar Turmi. We kregen het al snel over de gedwongen verhuizing van de inheemse volkeren. Ik had nog niets gezegd over mijn plannen voor een artikel dus de – naast de ambassadeur enige – medewerker van de ambassade praatte honderduit. België geeft in tegenstelling tot Nederland geen ontwikkelingshulp aan Ethiopië, maar hij had er wel een mening over. Ik werd niet echt gerust gesteld door zijn visie, de Ethiopische overheid zou haar plannen, ook bij externe druk door donoren, gewoon voortzetten. Schending van mensenrechten of niet. Hij was ook niet erg enthousiast om wat hier tegen te ondernemen. Het zonder eerlijk proces gevangen zetten van leiders klonk hem echter ook wat te gortig dus hij zou nog eens contact opnemen. Dus niet (tot nu toe). De volgende morgen vertelde ik over mijn mogelijke artikel voor het Belgische MO-magazine, waarop hij zei dat ik hem niet mocht citeren. Ik besloot later hem bij een mogelijk artikel ‘Europese diplomaat’ te noemen. Ik was natuurlijk blij met de lift, maar hij had me al duidelijk gemaakt dat het daar absoluut bij zou blijven. Dus ik vroeg ook al niet meer of ik in Omorate aangekomen, met hen mee kon naar de Daasanach-dorpen aan de andere kant van de rivier. Dat zou me dan 8 in plaats van 20 euro hebben gekost. Het liep allemaal anders. Ik werd afgezet bij mijn hotel en kreeg een kamer maar hoefde nog niet te betalen. Daarna eerst maar eens naar de rivier gaan kijken, de Belgen zaten al in hun bootje. Vlakbij was een in aanbouw zijnde brug ingestort. Die moet op termijn de afvoer van suiker, palmolie, goud en olie vanaf het gebied aan de West-oever naar de kust bij Djibouti, Mombasa en Lamu mogelijk maken. Naar al deze plaatsen aan de Oostkust van Afrika worden momenteel met behulp van de Chinezen grote wegen en/of pijpleidingen aangelegd. Zo kan dit ‘achtergebleven’ gebied vakkundig ‘ontwikkeld’ en leeggeplunderd worden. Bij de rivier stond ook een bus klaar voor vertrek. Het was de bus die gisteren door Dimeka was getrokken en nu terug zou gaan naar Jinka via Key Afar. Hier zou ik moeten wisselen voor mijn bus naar Konso en dan naar Moyale. De bus die de gidsen in Dimeka hadden beloofd zou volgens de plaatselijke bewoners vandaag niet komen. Dus dan zou ik pas over vier dagen met de volgende bus kunnen vertrekken. Dit zou betekenen dat ik niet op tijd het land uit zou raken in verband met mijn visum. Als ik mee wou had ik tien minuten, dus ik haalde snel en ongemerkt mijn rugzak uit het hotel en die ging het dak van de bus op.

Door gesprekken met Francois de Fransman die ik Jinka ontmoette, had ik mijn oorspronkelijke plan om naar Kenia te gaan via Omorate en Lake Turkana al een paar dagen uit mijn hoofd gezet. Busvervoer zou er vanaf Omorate niet zijn dus ik was afhankelijk van een lift per vrachtauto. Ook was het niet helemaal duidelijk of ik beter aan de west- of oostzijde van de Omo-rivier en het meer zou kunnen reizen. Van een Nederlander die ik in Arba Minch bij Swayne’s hotel ontmoette had ik wel een goede kaart kunnen lenen en dus had wat wegen in dit grensgebied ingetekend.
Om de één of andere reden wilde ik nog een foto van de rivier maken. Staat daar plotseling een hippie-achtig stel (vrouw en Jezus-figuur), waarschijnlijk uit Israël. Zij waren hier sinds gisteren en wilden via Lake Turkana naar Kenia. Ze hadden al wat aanboden voor vervoer gehad en nodigden me uit om mee te gaan. De bus toeterde en wou vertrekken. Ik hield een denkbeeldig pistool tegen mijn hoofd en zei dat ik tien seconden had om te beslissen. Het zouden zeer avontuurlijke twee weken worden via deze route en het Turkana-meer moet prachtig zijn. Over twee dagen zou de Maya-kalender aflopen, mooi om dan aan dit meer de ondergang van de wereld te beleven. Hier liepen miljoenen jaren geleden onze voorouders rond. Had ik ze een kwartier eerder ontmoet dan had ik waarschijnlijk mee gegaan, maar nu lag mijn rugzak op de bus en ik kon toch niet aan het wisselen blijven. Zou ik namelijk weer terug naar het hotel moeten, wat zouden zij er wel niet van denken? Aan de andere kant zou mijn visum over vier dagen verlopen maar dat was met een beetje geluk ook via deze grensovergang haalbaar. Het was uiteindelijk vooral een keuze voor zekerheid die me deed beslissen toch maar met de bus mee te gaan.
Net buiten Omorate stopten we bij een auto die bandenpech had. Dat gaf me de gelegenheid nog wat foto’s te maken van Daasanach-vrouwen die naar ons toe kwamen. Zij hebben karakteristieke roodgele haarbanden, terwijl zowel de mannen als vrouwen gele oorbellen dragen. Ze leefden nog niet zo lang geleden ook bij het Turkana-meer in Kenia en in Zuid-Soedan, maar zijn naar de oostzijde van de Omo getrokken. Even als de Hamer houden zij vee en verbouwen daarnaast voedsel. Zij lijken wel toekomstige slachtoffers te worden van landgrab omdat ze vlakbij de Omo-rivier wonen. Nu al hebben ze last van een dalend waterpeil door de in aanbouw zijnde Gibe III-dam. Dit leidt er toe dat het land langs de rivier dat normaal een aantal keren per jaar overstroomt en vruchtbaar slib achterlaat, nu deels droog blijft. Dit heeft nadelige gevolgen voor de voedselproductie. Voor meer informatie: http://www.theecologist.org/blogs_and_comments/commentators/other_comments/1334775/we_are_ready_to_die_for_our_land_say_pastoralists_in_ethiopias_lower_omo_valley.html

Reageer op dit reisverslag

Guus

Actief sinds 12 Okt. 2012
Verslag gelezen: 21593
Totaal aantal bezoekers 46469

Voorgaande reizen:

12 Oktober 2012 - 30 Januari 2013

Out in Africa

Landen bezocht: